ECLI:NL:RBDHA:2026:1977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.17588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 3.109d Vreemdelingenbesluit 2000Art. 15 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister na leeftijdswijziging asielaanvraag minderjarige

Verzoeker diende op 25 juli 2024 een asielaanvraag in met de geboortedatum 2008. De minister wijzigde deze datum naar 2006 na onderzoek in Italië, wat leidde tot bezwaar en een besluit van niet-ontvankelijkheid. Verzoeker stelde beroep in, waarna de minister de leeftijd opnieuw vaststelde op 2008. Verzoeker trok het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de kennisgeving van leeftijdswijziging een appellabel besluit is dat verzoeker rechtstreeks in zijn belang treft. De minister heeft het standpunt herzien en tegemoetgekomen aan verzoeker door de oorspronkelijke geboortedatum aan te houden. De rechtbank benadrukt het belang van procedurele waarborgen voor minderjarigen, zoals vastgelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de EU Procedurerichtlijn.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan verzoeker. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier S.J. Valk op 19 januari 2026.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker wegens het niet naleven van procedurele waarborgen bij leeftijdswijziging.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17588
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Hopman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de minister van 17 maart 2025.
1.1.
Verzoeker heeft op 25 juli 2024 een asielaanvraag ingediend, waarbij hij [geboortedatum 1] 2008 als geboortedatum heeft opgegeven. Omdat bij de minister twijfel bestond over zijn minderjarige geboortedatum en eiser door Italië is gereisd, heeft de minister onderzoek gedaan in Italië. Uit het onderzoek bleek dat verzoeker in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2006. Naar aanleiding hiervan heeft de minister met de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens (hierna: kennisgeving) van 6 september 2024 aan verzoeker laten weten dat zijn geboortedatum is aangepast naar [geboortedatum 2] 2006.
1.2.
Verzoeker heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving. De minister heeft het bezwaar van verzoeker met het besluit van 17 maart 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Verzoeker heeft op 14 april 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 17 maart 2025. Op 16 oktober 2025 heeft de gemachtigde van verzoeker laten weten dat zij de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. S. Coenen, en in het portaal van de IND en op het vreemdelingendocument van verzoeker de door hem opgegeven geboortedatum [geboortedatum 1] 2008 ziet staan. Zij heeft de minister gevraagd of deze registratie wordt aangehouden.
1.4.
De minister heeft op 26 november 2025 laten weten dat de leeftijd van verzoeker bij kennisgeving van 15 mei 2025 vooralsnog weer is vastgesteld op de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008, omdat de aanpassing van de gestelde leeftijd niet in overeenstemming was
met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024.1
1.5.
Verzoeker heeft op 3 december 2025 het beroep tegen het besluit van 17 maart 2025 ingetrokken, en heeft daarbij verzocht om een proceskostenveroordeling.
1.6.
De minister heeft op 5 december 2025 laten weten dat hij zich verzet tegen een veroordeling in de proceskosten, omdat volgens de minister de kennisgeving geen besluit was waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.
1.7.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.2

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.3
4. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb sprake is indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen, op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren.4

Wat zijn de standpunten van partijen?

5. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, omdat een kennisgeving geen appellabel besluit is, als bedoeld in artikel 6:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024.5 Het bezwaar van verzoeker is daarom volgens de minister in het besluit van 17 maart 2025 terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
6. Volgens verzoeker moet de minister veroordeeld moet worden in de proceskosten, omdat hij terecht beroep heeft ingesteld en de minister pas na het indienen van het beroep op 14 april 2025, namelijk bij kennisgeving van 15 mei 2025, de leeftijd opnieuw heeft vastgesteld op de door hem opgegeven geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008. In de gronden
2 Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4 Uitspraak van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487, r.o. 1.1.
van het beroep heeft verzoeker aangevoerd dat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 niet opgaat, omdat de Afdeling slechts op een bepaald aantal gevolgen van de kennisgeving is ingegaan. De Afdeling is onder andere niet ingegaan op de procedurele waarborgen voor minderjarigen en op de verplichting van de minister om bij minderjarigen (voortvarend) onderzoek te doen naar adequate opvang in het land van herkomst. Verzoeker heeft er daarbij op gewezen dat hij op 25 juli 2024 een asielaanvraag heeft ingediend, en elk moment een uitnodiging voor een nader gehoor kon ontvangen. Volgens verzoeker werd hij door de kennisgeving dus rechtstreeks in zijn belangen getroffen, en was er daarom sprake van een appellabel besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is het niet op álle onderdelen met verzoekers argumenten eens, maar volgt verzoeker wel in zijn conclusie dat de kennisgeving tot leeftijdswijziging hem rechtstreeks in zijn belang treft. De rechtbank licht dit hierna toe.
7.1.
Verzoeker kon elk moment kon worden uitgenodigd voor een nader gehoor. Door de leeftijdswijziging zou niet conform de procedurele waarborgen voor minderjarigen worden gehoord en beslist. Wat betreft de inhoud en het belang van deze procedurele waarborgen heeft verzoeker terecht gewezen op artikel 3.109d, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 juli 2022.6 Uit dat arrest volgt onder andere dat het beginsel van het vermoeden van minderjarigheid veronderstelt dat er voldoende procedurele waarborgen moeten zijn rondom het onderzoek naar en de vaststelling van de leeftijd.7
7.2.
Ook de Procedurerichtlijn kent waarborgen voor (niet-begeleide) minderjarigen. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet zijn, overeenkomstig artikel 24 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het IVRK. Op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het gehoor in zodanige omstandigheden plaatsvindt dat de minderjarige vreemdeling zijn gronden uitvoerig uiteen kan zetten, en dat het gehoor met een minderjarige wordt afgenomen op een kindvriendelijke manier. Ook moeten de lidstaten er, op grond van artikel 25, derde lid, van de Procedurerichtlijn, voor zorgen dat een niet-begeleide minderjarige persoonlijk wordt gehoord door een persoon die de nodige kennis heeft van de bijzondere behoeften van minderjarigen, en dat een ambtenaar die beschikt over de nodige kennis van de bijzondere behoeften van minderjarigen de beslissing van de beslissingsautoriteit met betrekking tot het verzoek van een niet-begeleide minderjarige voorbereidt.
7.3.
De rechtbank is het met verzoeker eens dat de gevolgen van het niet in acht nemen van de hiervoor beschreven procedurele waarborgen niet kenbaar in de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 zijn betrokken. De beschreven waarborgen dienen ter bescherming van de juridische en feitelijke positie van de minderjarige. De rechtbank volgt verzoeker in zijn betoog dat deze gevolgen onomkeerbaar zijn. De rechtbank ziet niet goed in hoe, wanneer de beschreven waarborgen niet worden nageleefd, daarvoor op een later moment kan worden gecompenseerd. Verzoeker wordt door de kennisgeving dus
6 Darboe en Camara t. Italië, zaaknummer 5797/17 (ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717).
7 par. 154.
rechtstreeks in zijn belang geraakt.
7.4.
In de omstandigheid dat het onderzoek naar adequate opvang als gevolg van de kennisgeving zou worden stopgezet, ziet de rechtbank overigens, anders dan verzoeker, geen aanleiding om aan te nemen dat verzoeker rechtstreeks in zijn belang werd getroffen. Het onderzoek naar adequate opvangmogelijkheden in het land van herkomst en de vraag of dit voldoende voortvarend wordt opgepakt, maakt onderdeel uit van de beoordeling van de asielaanvraag, namelijk of verzoeker na een afwijzing van zijn aanvraag een terugkeerbesluit opgelegd kan krijgen. Het gaat hier dus niet om een belang dat
los staatvan het voor te bereiden besluit.
8. De kennisgeving is in het geval van verzoeker dus een appellabel besluit. Daarnaast heeft de minister het door hem ingenomen standpunt dat moet worden uitgegaan van de geboortedatum die in Italië geregistreerd staat op 15 mei 2025 herzien en alsnog besloten (voorlopig) vast te houden aan de door verzoeker opgegeven geboortedatum, als gevolg waarvan voorlopig van zijn minderjarigheid ten tijde van de aanvraag wordt uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister daarmee tegemoetgekomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is daarom terecht ingediend.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 januari 2026
Mr. O. Veldman S.J. Valk
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.