ECLI:NL:RBDHA:2026:19781

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL24.41254
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 28 VwArt. 29 lid 1 aanhef en onder b sub 3 VwArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over risico terugkeer naar Aden, Jemen

Eiser, een Jemenitische man die asiel aanvraagt vanwege zijn homoseksuele geaardheid en de oorlogssituatie in Jemen, kreeg zijn aanvraag afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser, maar dat dit niet doorslaggevend is voor de afwijzing.

De kern van het geschil betreft de beoordeling van het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Aden, Jemen. De minister paste een beleid toe dat uitgaat van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, maar heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd hoe hij de verschillende relevante elementen, zoals het aantal burgerslachtoffers, humanitaire omstandigheden, aanwezigheid van landmijnen, recente confrontaties en ontheemding, globaal heeft meegewogen.

De rechtbank stelt vast dat de minister volstaat met een opsomming zonder inzicht te geven in de weging per provincie. Ook is onduidelijk in hoeverre humanitaire omstandigheden direct of indirect het gevolg zijn van het conflict en hoe dit risico wordt ingeschat. De minister heeft onvoldoende onderbouwd dat de situatie in Aden verbeterd is, en heeft recente ontwikkelingen en de impact van landmijnen onvoldoende betrokken.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eiser. De rechtbank kan geen bindende uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer omdat de noodzakelijke gegevens ontbreken.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Aden, Jemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41254

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.J. Poot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat in Aden (Jemen) niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld [2] moet gelden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 en de aanvulling daarop van 17 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Salah als tolk en mr. W. Epema als de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
2.3.
Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
2.4.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de behandeling van het beroep op
9 juni 2026 op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Koro als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft vanaf middelbare schoolleeftijd gevoelens voor mannen gehad. Eiser heeft tot 2007 in Jemen gewoond en heeft daarna verbleven in Saoedi-Arabië, waar hij een verblijfsvergunning had voor werk. In 2016 is eiser tijdelijk teruggekeerd naar Jemen om te trouwen met een vrouw om zijn vader tevreden te houden. Nadat de sponsor van zijn werk eiser liet uitzetten uit Saoedi-Arabië, besloot eiser naar Nederland te reizen. Op 30 maart 2022 kwam hij in Nederland aan. Eiser verwacht bij terugkeer naar Jemen problemen vanwege zijn homoseksuele geaardheid en de oorlog.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele geaardheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig is. De homoseksuele geaardheid van eiser vindt de minister echter niet geloofwaardig. De minister vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de oorlog. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser ontkent dat hij algemeen en oppervlakkig heeft verklaard. De minister moet rekening houden met de mate waarin eiser zijn geaardheid kan omschrijven. Verder maken niet alle homoseksuele mannen hetzelfde proces door. Eiser was voorzichtig zodat niemand erachter zou komen. Hij stelt dat hij op jonge leeftijd gevoelens kreeg voor jongens en dat zijn focus toen vooral was gericht op het fysieke aspect. Eiser wijst als onderbouwing op de website Seksuelevorming.nl, waaruit blijkt dat de emotionele hersengebieden zich sneller ontwikkelen dan de rationele. Eiser heeft aangegeven hoe hij in contact is gekomen met een man en hoe hun relatie is begonnen. Hij wil deze relatie voortzetten, naast zijn huwelijk. Eiser accepteert zichzelf en de situatie, maar hij is er niet aan toe verstoten te worden door zijn familie en de Arabische gemeenschap. Eiser betoogt verder dat hij (nog) geen behoefte heeft aan contact met LHBTI-organisaties. Hij had in het asielzoekerscentrum goed contact met een Syrische man die homoseksueel was en zal naar anderen toe open zijn over zijn geaardheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser van homoseksuele geaardheid is. De rechtbank stelt allereerst vast dat het grootste deel van het betoog van eiser een herhaling is van wat hij al in de zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister heeft daar in het bestreden besluit al op gereageerd. Het is dan aan eiser om aan te voeren waarom hij het niet eens is met dat standpunt van de minister. Door te herhalen wat hij eerder heeft betoogd heeft eiser dat niet gedaan. De enkele ontkenning dat hij algemeen en oppervlakkig heeft verklaard, zonder dit verder te concretiseren en te onderbouwen, is daarvoor ook onvoldoende. Eiser heeft ook niet geconcretiseerd en onderbouwd dat hij moeite zou hebben om te verklaren over zijn homoseksuele geaardheid. De enkele verwijzing naar zijn achtergrond is daarvoor onvoldoende. Zowel uit de gehoren als uit het medische advies blijken geen belemmeringen daarvoor. De verwijzing naar de website Seksuelevorming.nl leidt niet tot een ander oordeel, aangezien dit in het algemeen gaat over de seksuele ontwikkeling van tieners en eiser niet heeft onderbouwd waarom deze informatie betrekking heeft op eiser persoonlijk. Bovendien zegt deze informatie niets over hoe eiser tijdens de gehoren als volwassen man kan verklaren. De minister hoefde in wat eiser verder in de zienswijze naar voren heeft gebracht ook geen aanleiding te zien om eiser een toelichting te laten geven over zijn account (met gesprekken van seksuele aard van eiser met twee mannen) of dit account te bekijken. Het is immers allereerst aan eiser om geloofwaardige verklaringen af te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat in de provincie Aden sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld?
Wat is het beleid van de minister en de relevante rechtspraak?
6. De minister neemt [3] drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld [4] . De drie gradaties zijn:
1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op het grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
3) relatief lager niveau van willekeurig geweld.
6.1.
In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de vreemdeling aan de hand van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een verhoogd risico aan te nemen.
6.2.
Vanaf 2016 gold voor geheel Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld geldt. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
6.3.
De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 [5] ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal [6] in zijn beoordeling betrokken. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het nieuwe ambtsbericht over Jemen van april 2025.
6.4.
In de brief van 8 oktober 2025 [7] heeft de minister de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/2010 [8] het landenbeleid gewijzigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit?
6.5.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024/9. Dit besluit kan geen stand houden, gelet op wat in 6.3. en 6.4 is overwogen. De minister heeft dit ook erkend. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat de minister in het verweerschrift van 15 oktober 2025 de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
Wat is het standpunt van de minister in het verweerschrift en op zitting?
6.6.
De minister wijst op de brief van 8 oktober 2025 met bijlagen waarin hij de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw heeft beoordeeld en waarbij hij het nieuwe ambtsbericht en de uitspraken van de Afdeling heeft betrokken. De minister heeft per provincie beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld geldt. De minister vindt het aantal burgerslachtoffers een relevante factor en hecht eraan dat vanwege het de facto bestand tussen de strijdende partijen in oktober 2022 het aantal burgerslachtoffers significant is gedaald. Verder heeft de minister de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling betrokken, maar die hoeven volgens de minister niet doorslaggevend te zijn. De minister moet alle omstandigheden globaal meewegen. De minister zal slechte humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van bijvoorbeeld het klimaat niet betrekken bij de beoordeling.
6.7.
In Aden – de provincie waar eiser vandaan komt – is volgens de minister nog altijd sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Het is volgens de minister zorgelijk dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp. Uit het ambtsbericht volgt dat met name de Houthi’s de oorlog bewust gebruiken om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en als het lukt regeringsgebieden. Er blijkt volgens de minister echter niet uit dat humanitaire hulp niet aanwezig is of dat de hulp in zijn geheel geweigerd wordt in Aden. Er is juist sprake van een lichte verbetering sinds 2024. Dat in het ambtsbericht staat dat mensenrechtenorganisaties worden geïntimideerd, betekent dat dergelijke organisaties dus wel functioneren in Aden. De minister wijst er verder op dat de Afdeling heeft bevestigd dat met name de zuidelijke provincies (waarin ook Aden ligt) over het geheel genomen een betere toegang hebben tot hulporganisaties. Ook wordt Aden niet genoemd als een van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. Er zijn in Aden weliswaar electriciteitsproblemen geweest, maar daar heeft de plaatselijke regering op gehandeld. De Houthi’s hebben voornamelijk mijnen gelegd langs de frontlinies van de strijdende partijen. Aden ligt niet aan een frontlinie en verder zijn er in Aden al zeven jaren organisaties actief om mijnen te ruimen. De provincie staat niet onder controle van Houthi’s, maar tot begin 2026 van de STC [9] en sindsdien van het regeringsleger. De minister wijst er daarnaast op dat het percentage burgerslachtoffers, gelet op de geschatte bevolking, zeer klein is en dat de praktijk met betrekking tot rekrutering grotendeels hetzelfde is gebleven. Ontheemding als direct gevolg van het gewapende conflict is weliswaar gestegen, maar het aantal nieuwe ontheemden is gedaald ten opzichte van 2023. Ook is Aden niet een van de provincies waar de meeste nieuwe ontheemding plaatsvindt.
Wat is het betoog van eiser?
6.8
Eiser betoogt dat de minister niet alle omstandigheden, die volgens de Afdeling het gevolg zijn van het (nalaten van het) optreden van de Houthi-rebellen, globaal in aanmerking heeft genomen, waaronder de volgens het ambtsbericht zeer zorgelijke humanitaire omstandigheden. Eiser wijst in dat kader op het dwarsbomen van toegang tot humanitaire hulp, doelbewuste aanvallen op landbouwgebieden, waterinfrastructuur, levensmiddelenopslagen en vissersboten, de stijgende voedsel- en brandstofprijzen, het gebrek aan voedselzekerheid en de gebrekkige toegang tot veilig drinkwater of adequate sanitaire voorzieningen. Uit het beleid is niet af te leiden op welke wijze de minister deze omstandigheden heeft meegewogen. Er is verder volgens eiser sprake van een extreem instabiele, onvoorspelbare, situatie in Jemen. Elk moment kunnen er nieuwe geweldsuitbarstingen volgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.9.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid [10] in ieder geval de volgende elementen in samenhang weegt:
- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
- de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
- de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
6.10.
De Afdeling heeft de minister opgedragen, voor zover nu relevant, de volgende aspecten kenbaar te betrekken en globaal te wegen (zie ook rechtsoverweging 6.3):
- slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
- de recente confrontaties;
- het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
- de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict in Jemen. Dit betekent volgens de Afdeling dat humanitaire omstandigheden niet alleen relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek.
6.11.
De rechtbank overweegt dat de minister de genoemde aspecten onvoldoende kenbaar heeft betrokken en onvoldoende globaal heeft gewogen. De minister heeft de door de Afdeling opgesomde aspecten wel deels vermeld in de stukken die hebben geleid tot het nieuwe beleid [11] . Zo heeft de minister de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties in de Rode Zee en het aantal ontheemden genoemd. Verder heeft de minister de jarenlange slechte humanitaire situatie in Jemen vermeld, waaronder de humanitaire omstandigheden die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen, ook specifiek voor Aden. De minister volstaat in het beleid echter ten onrechte met een opsomming en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende elementen globaal heeft gewogen, en hoe die weging per provincie uitpakt. Dat een globale weging volgens de minister betekent dat geen enkel element doorslaggevend is, ontslaat de minister niet van de verplichting inzichtelijk te maken hoe hij de verschillende elementen weegt. Dat zal de rechtbank hierna voor elk van de genoemde aspecten nader toelichten.
Humanitaire omstandigheden
6.12.
De minister erkent dat het aantal slachtoffers vanwege humanitaire omstandigheden die het directe gevolg zijn van willekeurig geweld onduidelijk is. Deze slachtoffers zijn dan ook niet meegenomen in de cijfermatige onderbouwing van het aantal burgerslachtoffers dat is veroorzaakt door willekeurig geweld. Voor slachtoffers van humanitaire omstandigheden die het indirecte gevolg zijn van willekeurig geweld is dit volgens de minister nog lastiger. De minister schat aan de hand van de informatie die bekend is uit bijvoorbeeld het ambtsbericht in hoeveel risico burgers lopen. Het aantal slachtoffers vanwege bijvoorbeeld hongersnood is door de minister niet meegenomen in het totaal aantal slachtoffers van willekeurig geweld, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat de voedselonzekerheid sinds begin 2024 is toegenomen. De minister kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet volstaan met ‘het is niet duidelijk’. Zo lang de minister deze omstandigheden immers niet deugdelijk in kaart brengt, kan de minister niet vaststellen of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in (in dit geval Aden) Jemen. Ook kon de minister op zitting niet aangeven welke partijen de elektriciteitsproblemen in Aden veroorzaakten, terwijl duidelijk is dat deze elektriciteitsproblemen serieuze gevolgen hebben in de gezondheidssector [12] . Verder heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de situatie voor humanitaire organisaties is verbeterd. Dit alles maakt dat de minister onvoldoende kenbaar de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van willekeurig geweld heeft meegewogen.
Landmijnen en explosieve oorlogsresten
6.13.
De minister heeft de aanwezigheid van landmijnen en explosieve oorlogsresten in Aden onvoldoende kenbaar meegewogen. De mededeling op zitting dat het lijkt alsof er buiten de Houthi-provincies geen problemen zijn voor organisaties die landmijnen ruimen is daarvoor onvoldoende, aangezien de minister dat niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.
Recente confrontaties
6.14.
Ook vindt de rechtbank van belang dat er nog altijd ontwikkelingen plaatsvinden, zoals een militaire escalatie in december 2025 [13] . Met de enkele stelling op zitting dat dit niet maakt dat het beleid gewijzigd moet worden, onder meer omdat het regeringsleger begin 2026 Aden heeft overgenomen, heeft de minister deze ontwikkelingen onvoldoende meegewogen. Daarbij is het standpunt van de minister dat het feit dat het regeringsleger sinds begin 2026 aan de macht is in Aden een verbetering impliceert onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.
Ontheemding
6.15.
Verder zou Aden weliswaar niet de provincie zijn met de meeste nieuwe ontheemding, maar de minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe dit weegt ten opzichte van de, niet betwiste, feiten dat het aantal ontheemden in Jemen al hoog was en als gevolg van het gewapende conflict is toegenomen.
6.16.
De rechtbank is gelet op vorengaande van oordeel dat de minister ook in het verweerschrift en op zitting onvoldoende heeft gemotiveerd dat een burger niet alleen al vanwege zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [14] . Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zoals in rechtsoverweging 6.16. is overwogen ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Omdat de minister de mogelijkheid voor een nadere motivering al heeft gehad in het verweerschrift, is dit geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof [15] volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten [16] . Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
7.2.
Uit de overwegingen hiervoor blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat de minister nader onderzoek moet doen naar de feitelijke (humanitaire) omstandigheden. De rechtbank kan daarom in deze zaak geen bindende uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst, omdat de rechtbank de daartoe noodzakelijke gegevens niet tot haar beschikking heeft.
7.3.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak [17] . De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
7.4.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is als volgt berekend [18] . Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan twee zittingen van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 16 en 17 oktober 2024;
- draagt de minister op binnen tien na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzitter, mr. T.M. Weeda en mr. G.J. Wilts, leden, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal - Wisman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.In de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw en artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn.
3.Als gevolg van het arrest van het HvJEU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41 (X en Y) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, over dit arrest.
4.Zie de brief van de minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
6.Zie het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN) en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
7.Kamerstukken II 19637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
8.Stcrt. 2025, nr. 35447.
9.Southern Transitional Council.
10.Zie paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc.
11.Zie onder meer de brief van 8 oktober 2025 met bijlagen.
12.Zie Algemeen ambtsbericht Jemen april 2025, p. 15.
13.Zie een artikel uit het Algemeen Dagblad van 30 december 2025.
14.Algemene wet bestuursrecht.
15.Hof van Justitie van de Europese Unie.
16.Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35.
17.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
18.Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.