ECLI:NL:RBDHA:2026:19782

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.9269
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 29 VwArt. 15 KwalificatierichtlijnVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over risico's in Marib, Jemen

Eiser, een Jemenitische staatsburger met banden aan Al Islah, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht aannam dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging, maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Marib geen uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld geldt.

De rechtbank stelt vast dat de minister de door de Afdeling bestuursrechtspraak genoemde aspecten zoals slachtoffers door landmijnen, explosieve oorlogsresten, ontheemding en humanitaire omstandigheden onvoldoende globaal heeft gewogen. De minister volstond met een opsomming zonder inzicht te geven in de weging per provincie.

De rechtbank benadrukt dat het ontbreken van een duidelijke onderbouwing over de humanitaire situatie en het risico op ernstige schade betekent dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank wijst ook op haar bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen, maar kan dat nu niet vanwege het ontbreken van noodzakelijke gegevens. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over het risico op willekeurig geweld en humanitaire omstandigheden in Marib.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9269

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn banden met Al Islah niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat in Marib (Jemen) niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld [2] moet gelden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Fadi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is soennitisch moslim en heeft tot 2006 in Ibb (Jemen) gewoond. In dat jaar zijn beide ouders van eiser overleden. Vervolgens is hij naar Marib verhuisd om te studeren en werken. Eiser en zijn familie zijn aanhangers van Al Islah, de plaatselijke afdeling van de Moslimbroederschap en vijand van de Houthi’s. Eisers vader en drie broers hebben hoge posities binnen Al Islah gehad. Eiser is sinds 2010 lid en hielp in Jemen bij bijeenkomsten en demonstraties. In 2012 is hij voor studie naar Algerije gegaan. Eiser is in Algerije sinds 2013 actief geweest voor Al Islah. Hij organiseerde bijeenkomsten voor studenten en probeerde hen te overtuigen om zich bij Al Islah aan te sluiten. De Houthi’s hebben twee broers van eiser gevangengenomen. Eisers oudste broer is kort na zijn vrijlating in 2020 overleden, mogelijk als gevolg van martelingen. De andere broer is vermist. Omdat zijn verblijfsvergunning voor studie in 2023 eindigde, moest eiser Algerije verlaten. Eiser is daarop naar Europa gevlucht. Eiser verwacht bij terugkeer naar Jemen problemen vanwege de banden met Al Islah en de oorlog.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit twee asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers banden met Al Islah /de politieke overtuiging van de familie van eiser en de daaruit voortvloeiende associatie met Al Islah.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Deze motieven zijn echter onvoldoende zwaarwegend voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Het is niet aannemelijk dat eiser of zijn familieleden in de negatieve belangstelling van de Houthi’s of de Zuidelijke Overgangsraad staan. De minister vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de oorlog. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Is het lidmaatschap van Al Islah voldoende zwaarwegend om eiser als vluchteling aan te merken?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser heeft aangevoerd dat er concrete aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Jemen in de negatieve aandacht zal komen te staan vanwege zijn lidmaatschap van Al Islah. Verder heeft de minister ten onrechte Marib aangemerkt als zijn woonplaats. Eiser is immers geboren in Ibb en heeft daar het grootste gedeelte van zijn leven gewoond. In Ibb zijn de Houthi’s aan de macht en daarom is eiser als aanhanger van Al Islah zijn leven niet zeker. Ook stelt eiser dat hij in Marib heeft te vrezen van de Houthi’s of van de Zuidelijke Overgangsraad, ook een vijand van Al Islah.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het gebied waaruit de vreemdeling afkomstig is het gebied waar hij voorafgaand aan zijn vertrek uit zijn land van herkomst zijn normale woon- en verblijfsplaats had. [3] Eiser heeft van 2006 tot en met 2012 in Marib gewoond, gewerkt en gestudeerd. De minister heeft dan ook op goede gronden aangenomen dat Marib de laatste woonplaats van eiser is. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft de minister al in het bestreden besluit Marib als laatste woonplaats van eiser aangemerkt. [4]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marib een gegronde vrees voor vervolging heeft van de Houthi’s of de Zuidelijke Overgangsraad. De minister heeft de politieke overtuiging van de familie van eiser en de daaruit voortvloeiende associatie met Al Islah geloofwaardig geacht. De gemachtigde van de minister heeft op zitting bevestigd dat de problemen die eisers familieleden als gevolg daarvan hebben ondervonden ook geloofwaardig moeten worden geacht. Dat doet er echter niet aan af dat eiser aannemelijk moet maken dat hij zelf vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve aandacht van de Houthi’s of de Zuidelijke Overgangsraad heeft gestaan of zal komen te staan. Hierin is eiser niet geslaagd. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.3.
Het deel van Marib waarnaar eiser terug zou moeten keren staat onder controle van de internationaal erkende regering (IRG). Dat eiser daar te vrezen heeft van de Houthi’s of de Zuidelijke Overgangsraad heeft hij niet nader geconcretiseerd. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat de Houthi’s alle leden van zijn stam of familie zien als opposanten, vanwege het aanhangen van Al Islah. Daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat de Houthi’s kijken naar de stamnaam maar dat hij die nooit in zijn documenten zet omdat hij vaak reist en anders problemen krijgt. [5] De Houthi’s kunnen eiser dan ook niet via zijn stamnaam in verband brengen met Al Islah. Eiser heeft verklaard dat alleen de Houthi’s bij controleposten in Ibb via zijn familienaam de stamnaam van eiser kunnen weten, maar dat controleposten die niet in de buurt van Ibb liggen daar niet achter komen. [6] De minister heeft hierbij bovendien terecht overwogen dat eiser zowel in Jemen als in Algerije een beperkte rol heeft gehad binnen Al Islah. Eiser heeft zelf tijdens het nader gehoor ook bevestigd dat hij geen actieve rol had binnen Al Islah in Jemen en in Algerije bijeenkomsten organiseerde voor Jemenitische studenten om zich bij Al Islah aan te sluiten. [7] Ook heeft eiser verklaard dat Al Islah op dit moment op een soort van non-actief is gezet, waardoor eiser bij terugkeer naar Jemen geen activiteiten voor Al Islah zal verrichten. [8] Dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve aandacht van de Houthi’s heeft gestaan of bij terugkeer zal komen te staan heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat in de provincie Marib sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld?
Wat is het beleid van de minister en de relevante rechtspraak?
6. De minister neemt [9] drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. [10] De drie gradaties zijn:
1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op het grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;
2) relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
3) relatief lager niveau van willekeurig geweld.
6.1.
In de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Bij de laagste twee gradaties moet de vreemdeling aan de hand van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een verhoogd risico aan te nemen.
6.2.
Vanaf 2016 gold voor geheel Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld geldt. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
6.3.
De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025 [11] ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal [12] in zijn beoordeling betrokken. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het nieuwe ambtsbericht over Jemen van april 2025.
6.4.
In de brief van 8 oktober 2025 [13] heeft de minister de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 [14] het landenbeleid gewijzigd.
Wat is het standpunt van de minister?
6.5.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, waarbij alleen de aanwezigheid van een persoon leidt tot een reëel risico op ernstige schade. Hij heeft daarbij verwezen naar het in oktober 2025 gewijzigde landenbeleid voor Jemen. Met dit landenbeleid is voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Hierbij is de bijlage ‘
15c beoordeling Jemen’van 18 juni 2025 bij de Kamerbrief van de minister van 8 oktober 2025 [15] relevant. Daarin heeft de minister de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld voor de verschillende provincies in Jemen uitgebreid uiteengezet, evenals de wijze waarop hij de humanitaire situatie daarbij heeft betrokken. De slechte humanitaire situatie in Jemen komt deels door de gehanteerde oorlogsmethodes van de strijdende partijen en deels door de slechte humanitaire situatie die Jemen al kende voor de oorlog. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in haar geheel een direct of indirect gevolg is van het handelen van strijdende partijen in Jemen.
6.6.
In Marib – de provincie waar eiser tot aan zijn vertrek uit Jemen woonde – is volgens de minister nog altijd sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In het verweerschrift heeft de minister verwezen naar het Algemeen ambtsbericht Jemen april 2025, [16] ACLED [17] en IOM. [18] De minister ziet in de recente ontwikkelingen in Marib geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen.
Wat is het betoog van eiser?
6.7.
Eiser heeft aangevoerd dat de minister met het landenbeleid voor Jemen niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Gelet op de informatie uit het Algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 en de landeninformatie uit de brieven van VWN [19] van 7 november 2025 en 5 januari 2026 is sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Bovendien heeft de minister de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen niet voldoende kenbaar in de beoordeling betrokken. Uit de landeninformatie blijkt dat de humanitaire omstandigheden in Jemen zeer ernstig zijn, dat de strijdende partijen, en dus actoren van geweld, willens en wetens oorlogsmethoden hanteren die toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen terwijl tegelijkertijd een groot deel van de burgerbevolking afhankelijk is van deze hulp. Daarnaast spelen buitenlandse actoren ook een toenemende rol hierin.
6.8.
Specifiek voor de situatie in Marib heeft eiser verwezen naar de inhoud van de brief van VWN van 28 mei 2026. [20] Hieruit blijkt volgens eiser dat de veiligheidssituatie in Marib na het bestand van 2022 weer is verslechterd. Ook is Marib een van de provincies met de meeste voedselonzekerheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.9.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid [21] in ieder geval de volgende elementen in samenhang weegt:
- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
- de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
- de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
6.10.
De Afdeling heeft de minister opgedragen, voor zover nu relevant, de volgende aspecten kenbaar te betrekken en globaal te wegen (zie ook rechtsoverweging 6.3):
- slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
- het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
- de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict in Jemen. Dit betekent volgens de Afdeling dat humanitaire omstandigheden niet alleen relevant kunnen zijn als strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek.
6.11.
De rechtbank overweegt dat de minister de genoemde aspecten onvoldoende kenbaar heeft betrokken en onvoldoende globaal heeft gewogen. De minister heeft de door de Afdeling opgesomde aspecten wel deels vermeld in de stukken die hebben geleid tot het nieuwe beleid. [22] Zo heeft de minister de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties in de Rode Zee en het aantal ontheemden genoemd. Verder heeft de minister de jarenlange slechte humanitaire situatie in Jemen vermeld, waaronder de humanitaire omstandigheden die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen, ook specifiek voor Marib. De minister volstaat in het beleid echter ten onrechte met een opsomming en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de verschillende elementen globaal heeft gewogen, en hoe die weging per provincie uitpakt. Dat een globale weging volgens de minister betekent dat geen enkel element doorslaggevend is, ontslaat de minister niet van de verplichting inzichtelijk te maken hoe hij de verschillende elementen weegt. Dat zal de rechtbank hierna voor elk van de genoemde aspecten nader toelichten.
Humanitaire omstandigheden
6.12.
De minister erkent dat het aantal slachtoffers vanwege humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van willekeurig geweld onduidelijk is. Deze slachtoffers zijn dan ook niet meegenomen in de cijfermatige onderbouwing van het aantal burgerslachtoffers dat is veroorzaakt door willekeurig geweld. De minister schat aan de hand van de informatie die bekend is uit bijvoorbeeld het ambtsbericht in hoeveel risico burgers lopen. Het aantal slachtoffers vanwege bijvoorbeeld hongersnood is door de minister niet meegenomen in het totaal aantal slachtoffers van willekeurig geweld, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat de voedselonzekerheid sinds begin 2024 is toegenomen en Marib een van de provincies met de hoogste voedselonzekerheid is. [23] De gemachtigde van de minister heeft op zitting verklaard dat de minister niet kan aanduiden hoe de hoge voedselonzekerheid, in het bijzonder in Marib, in de globale beoordeling van de relevante elementen is meegewogen. Ook heeft zij verklaard dat de minister niet in beeld heeft hoeveel mensen in Jemen slachtoffer zijn van de voedselonzekerheid. Zij heeft erop gewezen dat er ook andere omstandigheden zijn dan de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het willekeurig geweld die bijdragen aan de voedselonzekerheid, zoals het klimaat. Het is niet mogelijk om de slachtoffers van de verschillende omstandigheden van elkaar te onderscheiden. De minister kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet volstaan met ‘het is niet duidelijk’. Zo lang de minister deze omstandigheden immers niet deugdelijk in kaart brengt, kan de minister niet vaststellen of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in Jemen (in dit geval Marib). Dit alles maakt dat de minister onvoldoende kenbaar de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van willekeurig geweld heeft meegewogen.
Landmijnen en explosieve oorlogsresten
6.13.
De minister heeft de aanwezigheid van landmijnen en explosieve oorlogsresten in Marib onvoldoende kenbaar meegewogen. Marib is een van de zwaarst getroffen provincies wat betreft slachtoffers van landmijnen en explosieve oorlogsresten. [24] De minister heeft dit gegeven onvoldoende kenbaar meegewogen.
Ontheemding
6.14.
Verder onderkent de minister dat ontheemding als direct gevolg van het gewapende conflict in Marib is gestegen in 2024 ten opzichte van 2023. Onder de inwoners in Marib is een groot aantal ontheemden. Het overgrote deel van de nieuwe ontheemde huishoudens in 2025 in Jemen bevond zich in Marib. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe dit weegt ten opzichte van de, niet betwiste, feiten dat het aantal ontheemden in Jemen al hoog was en als gevolg van het gewapende conflict is toegenomen.
6.15.
De rechtbank is gelet op vorengaande van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat een burger niet alleen al vanwege zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [25] . Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Omdat de minister de mogelijkheid voor een nadere motivering al heeft gehad in het verweerschrift, is dit geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof [26] volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. [27] Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
7.2.
Uit de overwegingen hiervoor blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat de minister nader onderzoek moet doen naar de feitelijke (humanitaire) omstandigheden. De rechtbank kan daarom in deze zaak geen bindende uitspraak doen over het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst, omdat de rechtbank de daartoe noodzakelijke gegevens niet tot haar beschikking heeft.
7.3.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [28] De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
7.4.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is als volgt berekend. [29] Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan een zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2026;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, voorzitter, mr. K. Ides en mr. T.M. Weeda, leden, in aanwezigheid van mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.In de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
3.ABRvS 31 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2891, r.o. 2.3.1.
4.Zie p. 7 en 9 van het bestreden besluit.
5.Zie p. 11 rapport nader gehoor.
6.Zie p. 12 rapport nader gehoor.
7.Zie p. 12 rapport nader gehoor.
8.Zie p. 15 rapport nader gehoor.
9.Als gevolg van het arrest van het HvJEU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41 (X en Y) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, over dit arrest.
10.Zie de brief van de minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
12.Zie het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN) en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.
13.Kamerstukken II 19637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
14.Stcrt. 2025, nr. 35447.
15.19 637, nr. 3489.
16.Pagina’s 53, 54 en 100.
17.Armed Conflict Location and Event Data Yemen van 1 maart 2025 tot en met 26 mei 2026.
18.International Organization for Migration, Yemen Rapid Displacement Tracking Update 24-30 May 2026.
19.Vluchtelingenwerk Nederland.
20.Veiligheid en humanitaire situatie in Marib.
21.Zie paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc.
22.Zie onder meer de brief van 8 oktober 2025 met bijlagen.
23.Algemeen ambtsbericht Jemen april 2025, p. 13.
24.Algemeen ambtsbericht Jemen april 2025, p. 53.
25.Algemene wet bestuursrecht.
26.Hof van Justitie van de Europese Unie.
27.Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35.
28.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
29.Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.