ECLI:NL:RBDHA:2026:1980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3176
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Bengalese nationaliteit, diende in 2020 een asielaanvraag in die werd afgewezen en bevestigd door hogere instanties. Na eerdere bewaring en een bevestigde uitspraak, ontving de minister een laissez passer van Bangladesh en legde een nieuwe maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat hij originele documenten had overgelegd en de bewaring niet noodzakelijk was, waarbij hij ook stelde dat een lichter middel passend was gezien zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat de asielaanvraag louter was ingediend om terugkeer te vertragen, mede omdat de documenten niet vertaald waren en de asielmotieven nog niet waren gehoord.

De rechtbank vond de zwaarwegende gronden van de minister voldoende gemotiveerd en wees het beroep af. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De motivering van de minister was voldoende, en het risico op onttrekking aan toezicht bleef bestaan ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. den Dulk op 2 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3176
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Kabir. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Eiser heeft in 2020 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is uiteindelijk afgewezen en bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 november 2025 is het beroep daartegen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd.
2. Voor de oplegging van de maatregel zat eiser in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het beroep tegen deze maatregel is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 december 20251 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Afdeling op 21 januari 2026 bevestigd. Op 6 januari 2026 is een laissez passer (lp) ontvangen van de autoriteiten van Bangladesh. Op 16 januari 2026 heeft eiser een (opvolgende) asielaanvraag ingediend.
Wettelijke grondslag
3. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat de grondslagen van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw niet van toepassing zijn. Hiertoe wijst hij erop dat hij, zoals hij in december 2025 al had aangekondigd, op 24 januari 2026 originele documenten heeft overgelegd aan de minister in het kader van zijn opvolgende asielaanvraag. Hij heeft één van de onvertaalde documenten overgelegd. Hieruit volgt dat niet meer kan worden aangenomen dat hij de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Evenmin is de bewaring noodzakelijk met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning. De bewaring voldoet niet aan het ultimum remedium vereiste.
4. De rechtbank volgt dit niet. Wat betreft de c-grond van artikel 59b van de Vw is niet in geschil dat eiser voldoet aan de eerste twee voorwaarden, namelijk dat hij eerst in bewaring zat in het kader van de Terugkeerrichtlijn en dat hij reeds toegang heeft gehad tot de asielprocedure. Nu eiser kort na de afgifte van de lp en vlak voor uitzetting naar Bangladesh zijn opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, heeft de minister op redelijke gronden aangenomen dat hij de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen. De door eiser overgelegde documenten leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat geen vertaling hiervan is overgelegd zodat de inhoud ervan niet kan worden beoordeeld. Wat betreft de b-grond van artikel 59b van de Vw stelt de rechtbank vast dat eiser nog moet worden gehoord op zijn asielaanvraag over zijn asielmotieven, zodat niet valt in te zien waarom niet ook deze grond aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting de zware grond onder 3i en de lichte grond onder 4d heeft laten vallen.
8. Eiser betwist de lichte grond onder 4c en heeft in dit kader een uittreksel van de inschrijving in de Basisregistratie personen overgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a en 3c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. In dit kader wijst de rechtbank ook naar voormelde in hoger beroep bevestigde uitspraak van 30 december 2025 over de eerdere maatregel. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt.

Lichter middel/belangenafweging en de motivering ervan

9. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring en dat de minister de gemaakte belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiertoe stelt hij dat in dit kader in de maatregel niet kenbaar is ingegaan op de door de asieladvocaat gegeven zienswijze voorafgaand aan de bewaring, die ertoe strekt dat eiser niet vluchtgevaarlijk is, werk heeft waarmee hij € 1.800 per maand verdient en een vast BRP-adres. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek waardoor de maatregel van bewaring als onrechtmatig moet worden geacht.2 Verder is door de minister niet onderkend dat eiser geen werkelijke en actuele dreiging voor de openbare orde vormt, waarbij hij verwijst naar het arrest J.N. van het Hof van Justitie van 15 februari 2016.3 Ten slotte stelt eiser dat zijn oom in Nederland woont en zijn huis voor eiser beschikbaar heeft gesteld. Op deze manier kan eiser zijn asielprocedure in vrijheid afwachten, maar is hij wel traceerbaar voor de minister. Hierbij overlegt eiser een kopie van het paspoort van zijn oom, een garantverklaring van zijn oom en de inkomensgegevens van zijn oom.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Hierbij heeft hij mogen wijzen op de gronden van de maatregel en de motivering ervan, waaruit blijkt dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarnaast heeft eiser, zo blijkt uit de uitspraak van 30 december 2025, op meerdere momenten - nadat hij verplicht werd uit Nederland te vertrekken - verklaard dat hij hieraan geen medewerking zou verlenen. Er geldt gedurende de huidige asielprocedure geen vertrekplicht, maar de rechtbank vindt dat, mede gelet op de toepasselijkheid van de c-grond van artikel 59b van de Vw, dit wel van belang voor het onttrekkingsrisico. De stelling dat eiser geen werkelijke en actuele dreiging voor de openbare orde vormt, leidt in dit kader niet tot een ander oordeel, nu niet nader is gemotiveerd waarom dit relevant is nu de bewaring niet op de d-grond van artikel 59b van de Vw is gebaseerd. Verder is in de maatregel de zienswijze van de advocaat uitdrukkelijk geciteerd en is hier voldoende rekening mee is gehouden. Hoewel de motivering in de maatregel de nodige dubbelingen bevat en een aantal niet relevante aspecten, is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is uitgelegd dat in dit geval niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Dat de gestelde oom van eiser zijn woning beschikbaar stelt, neemt het risico op onttrekking niet weg en de minister is dan ook niet gehouden om om die reden met een lichter middel te volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
2 Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320.
3 J.N., ECLI:EU:C:2016:84.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.