Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft immers niet slechts in algemene zin verwezen naar landeninformatie. Hij heeft concreet, consistent en op essentiële onderdelen verifieerbaar verklaard dat hij, nadat zijn procedure definitief was afgedaan, geen recht meer had op werk, dakloos is geweest, geen medische zorg meer kon krijgen en verstoken was van bestaansmiddelen. Eiser heeft verklaard dat hij door de omstandigheden en stress ernstige klachten aan zijn handen en vingers heeft ontwikkeld en dat hij daarvoor geen arts kon bezoeken. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat uit gezaghebbende landeninformatie volgt dat Dublin-terugkeerders op Cyprus slechts aanspraak hebben op materiële opvangvoorzieningen zolang hun asielprocedure nog loopt en dat bij een reeds afgeronde procedure geen recht meer op opvang, financiële ondersteuning en huisvesting bestaat. Er bestaat een concreet risico op dakloosheid en detentie na overdracht. Het bestreden besluit miskent het onderscheid tussen de positie van een asielzoeker met een nog lopende procedure enerzijds en de positie van een afgewezen asielzoeker / Dublin-terugkeerder anderzijds. Verder is door de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom eiser, gelet op zijn eerdere ervaringen en zijn huidige kwetsbaarheid, bij terugkeer niet opnieuw buiten de opvang, zorg en bestaansmiddelen zal raken.
7.1 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Met een algemene verwijzing naar het AIDA rapport, update 2024, heeft eiser dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst naar de door haar ter zitting aangehaalde pagina 60 van voornoemd rapport, waaruit – kort samengevat – volgt dat Dublinclaimanten volledige toegang hebben tot opvangvoorzieningen en alle andere rechten die asielzoekers genieten. Daarnaast blijkt uit eisers eigen verklaringen dat hij gedurende de behandeling van zijn asielverzoek op Cyprus onderdak heeft genoten, bijstand van een advocaat heeft gekregen (in eerste aanleg en in beroep) en toegang heeft gehad tot de medische voorzieningen.
Dat de toegang tot al deze voorzieningen voor eiser is gewijzigd of verminderd na afdoening van zijn asielaanvraag en dat er een risico bestaat op vreemdelingendetentie na overdracht, acht de rechtbank niet in strijd met de internationale verplichtingen. Eiser verbleef immers vanaf het moment dat zijn asielprocedure definitief was afgedaan niet langer legaal op Cyprus. Er werd door de Cypriotische autoriteiten ingezet op terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Eiser heeft de uitzetting niet afgewacht, maar heeft er voor gekozen om naar Nederland te reizen om aldaar nogmaals asiel te vragen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom hij in zijn geval na de definitieve afwijzing van zijn asielaanvraag toch recht zou hebben (gehad) op (volledige) toegang tot de hiervoor genoemde voorzieningen.
Het voorgaande volgt – weliswaar in andere woorden – eveneens uit het bestreden besluit, zodat de rechtbank eiser niet volgt in zijn standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen en onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
7.2 Voor wat betreft eisers gestelde medische klachten, overweegt de rechtbank aanvullend op het voorgaande dat eiser deze klachten (ook in beroep) niet met medische documenten heeft onderbouwd of anderszins nader heeft geconcretiseerd. Voorts heeft eiser gesteld noch aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment in Nederland medische zorg behoeft voor zijn gestelde klachten en dat eventuele medische zorg voor hem niet beschikbaar is op Cyprus na overdracht. Niet gebleken is dat eiser zich tijdens zijn eerdere verblijf op Cyprus tot een arts heeft gewend met zijn gestelde medische problemen of dat hem de toegang tot de medische zorg daadwerkelijk is geweigerd na een verzoek daartoe. Voor zover eiser na overdracht niet de benodigde zorg zou verkrijgen die hij op dat moment behoeft, dient hij daarover te klagen bij de (hogere) Cypriotische autoriteiten of bij de daartoe geëigende instanties. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Indirect refoulement
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
Conclusie en gevolgen
Beslissing
D.K. Bloemers, griffier.