ECLI:NL:RBDHA:2026:19813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20223
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet juist werd toegepast en dat hij bij terugkeer naar Cyprus ernstige medische klachten en een reëel risico op dakloosheid en detentie zou lopen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete en medische onderbouwing had geleverd om het tegendeel aannemelijk te maken.

Daarnaast werd geoordeeld dat het risico op indirect refoulement niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat eiser tijdens zijn eerdere verblijf op Cyprus toegang had tot opvang, juridische bijstand en medische zorg. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20223

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Cyprus verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Walmand - Baraki als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
5. In dit geval heeft Nederland bij Cyprus een verzoek om terugname gedaan. Cyprus heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat de overweging van de minister dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Cyprus terecht zal komen in omstandigheden die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo [2] bereiken onvoldoende is gemotiveerd. Hoewel de minister in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, ontslaat dat de minister niet van de verplichting om concrete, door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden individueel kenbaar te beoordelen. De minister heeft eisers betoog onvoldoende individueel afgedaan met een algemene verwijzing naar recente jurisprudentie en met verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [3] .
Eiser heeft immers niet slechts in algemene zin verwezen naar landeninformatie. Hij heeft concreet, consistent en op essentiële onderdelen verifieerbaar verklaard dat hij, nadat zijn procedure definitief was afgedaan, geen recht meer had op werk, dakloos is geweest, geen medische zorg meer kon krijgen en verstoken was van bestaansmiddelen. Eiser heeft verklaard dat hij door de omstandigheden en stress ernstige klachten aan zijn handen en vingers heeft ontwikkeld en dat hij daarvoor geen arts kon bezoeken. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat uit gezaghebbende landeninformatie volgt dat Dublin-terugkeerders op Cyprus slechts aanspraak hebben op materiële opvangvoorzieningen zolang hun asielprocedure nog loopt en dat bij een reeds afgeronde procedure geen recht meer op opvang, financiële ondersteuning en huisvesting bestaat. Er bestaat een concreet risico op dakloosheid en detentie na overdracht. Het bestreden besluit miskent het onderscheid tussen de positie van een asielzoeker met een nog lopende procedure enerzijds en de positie van een afgewezen asielzoeker / Dublin-terugkeerder anderzijds. Verder is door de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom eiser, gelet op zijn eerdere ervaringen en zijn huidige kwetsbaarheid, bij terugkeer niet opnieuw buiten de opvang, zorg en bestaansmiddelen zal raken.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Cyprus mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2025 bevestigd. [4] Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Cyprus, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Cypriotische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest [6] . Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
7.1 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Met een algemene verwijzing naar het AIDA rapport, update 2024, heeft eiser dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst naar de door haar ter zitting aangehaalde pagina 60 van voornoemd rapport, waaruit – kort samengevat – volgt dat Dublinclaimanten volledige toegang hebben tot opvangvoorzieningen en alle andere rechten die asielzoekers genieten. Daarnaast blijkt uit eisers eigen verklaringen dat hij gedurende de behandeling van zijn asielverzoek op Cyprus onderdak heeft genoten, bijstand van een advocaat heeft gekregen (in eerste aanleg en in beroep) en toegang heeft gehad tot de medische voorzieningen.
Dat de toegang tot al deze voorzieningen voor eiser is gewijzigd of verminderd na afdoening van zijn asielaanvraag en dat er een risico bestaat op vreemdelingendetentie na overdracht, acht de rechtbank niet in strijd met de internationale verplichtingen. Eiser verbleef immers vanaf het moment dat zijn asielprocedure definitief was afgedaan niet langer legaal op Cyprus. Er werd door de Cypriotische autoriteiten ingezet op terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst. Eiser heeft de uitzetting niet afgewacht, maar heeft er voor gekozen om naar Nederland te reizen om aldaar nogmaals asiel te vragen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom hij in zijn geval na de definitieve afwijzing van zijn asielaanvraag toch recht zou hebben (gehad) op (volledige) toegang tot de hiervoor genoemde voorzieningen.
Het voorgaande volgt – weliswaar in andere woorden – eveneens uit het bestreden besluit, zodat de rechtbank eiser niet volgt in zijn standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen en onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
7.2 Voor wat betreft eisers gestelde medische klachten, overweegt de rechtbank aanvullend op het voorgaande dat eiser deze klachten (ook in beroep) niet met medische documenten heeft onderbouwd of anderszins nader heeft geconcretiseerd. Voorts heeft eiser gesteld noch aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment in Nederland medische zorg behoeft voor zijn gestelde klachten en dat eventuele medische zorg voor hem niet beschikbaar is op Cyprus na overdracht. Niet gebleken is dat eiser zich tijdens zijn eerdere verblijf op Cyprus tot een arts heeft gewend met zijn gestelde medische problemen of dat hem de toegang tot de medische zorg daadwerkelijk is geweigerd na een verzoek daartoe. Voor zover eiser na overdracht niet de benodigde zorg zou verkrijgen die hij op dat moment behoeft, dient hij daarover te klagen bij de (hogere) Cypriotische autoriteiten of bij de daartoe geëigende instanties. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Indirect refoulement
8. Eiser heeft verklaard dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Cyprus uiteindelijk zal worden uitgezet naar Afghanistan. De motivering in het bestreden besluit dat eiser bij eventuele klachten daarover zich kan wenden tot de Cypriotische autoriteiten is volgens eiser te summier. Eiser verwijst naar een briefing note van OHCHR van 18 juli 2025 waaruit volgt dat de sterke toename van gedwongen of feitelijk afgedwongen terugkeer van Afghanen een acute humanitaire en mensenrechtencrisis veroorzaakt. OHCHR roept staten expliciet op om onmiddellijk te stoppen met gedwongen terugkeer van Afghaanse vluchtelingen en asielzoekers, in het bijzonder waar risico bestaat op vervolging, willekeurige detentie of foltering.
9. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat toetsing of indirect refoulement aannemelijk is, niet aan de orde is binnen de Dublinprocedure, als ten aanzien van de aangezochte lidstaat mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [7] Zoals hiervoor is overwogen gaat de minister ten aanzien van Cyprus terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de vraag of indirect refoulement aannemelijk is, ligt dan ook niet voor ter beoordeling. De door eiser aangehaalde briefing note maakt dat niet anders. Ook ten aanzien van dit punt is de rechtbank niet gebleken van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
10. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij stressklachten heeft, slaapproblemen kent en klachten aan zijn hand en vingers ondervindt, welke volgens hem zijn ontstaan of verergerd door de omstandigheden waarin hij op Cyprus heeft verkeerd. Ook in de zienswijze is daar op gewezen. Dat medische stukken ontbreken betekent volgens eiser niet zonder meer dat daarom aan zijn gestelde kwetsbaarheid voorbij kan worden gegaan. De verklaringen van eiser in samenhang met de eerdere ervaringen op Cyprus en het door eiser gestelde gebrek aan zorg aldaar, maken dat een zorgvuldigere en concretere beoordeling was vereist. De minister heeft nagelaten om inzichtelijk te maken waarom deze combinatie van factoren niet maakt dat overdracht voor eiser onevenredig ingrijpend is en tot een reëel risico leidt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft ten onrechte in zijn geval voor wat betreft artikel 17 van Pro de Dublinverordening verwezen naar de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
10. De rechtbank overweegt dat de minister in redelijkheid en genoegzaam gemotiveerd heeft kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser (ook in beroep) met zijn relaas niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Cyprus van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank herhaalt dat eiser zijn gestelde medische kwetsbaarheid niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser (extra) kwetsbaar is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo).
3.Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2026:1109.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
7.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934) en de Afdelingsuitspraak van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359).