ECLI:NL:RBDHA:2026:1986

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3121
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, is op 15 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de bewaring prematuur was vanwege een lopende artikel 64-procedure en dat een lichter middel passend zou zijn vanwege zijn medische toestand. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het artikel 64-besluit geen rechtmatig verblijf oplevert en dat de maatregel van bewaring daarom terecht is opgelegd.

De minister heeft voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht en dat een lichter middel niet doeltreffend is, mede gelet op de medische omstandigheden van eiser die niet zodanig zijn dat bewaring onaanvaardbaar is. Ook is volgens de rechtbank voldoende zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn, ondanks het ontbreken van een fit-to-fly verklaring.

De rechtbank toetst ambtshalve of de bewaring onrechtmatig was en concludeert dat dit niet het geval is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3121
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Koc. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
Artikel 64-procedure
2. Eiser heeft gesteld dat de bewaring prematuur is en erop gewezen dat er nog een artikel 64-procedure loopt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van dit verzoek en een voorlopige voorziening aangevraagd.
3. Uit de dossierstukken blijkt dat in het kader van de asielaanvraag ambtshalve is beoordeeld of artikel 64 van Pro de Vw op eiser van toepassing is. Bij besluit van 20 mei 2025, is onder verwijzing naar een advies van Bureau Medische Advisering (BMA) vastgesteld dat dit niet het geval is. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 1 december 2025 heeft eiser een voorlopige voorziening ingediend.
4. De rechtbank overweegt dat het bezwaar tegen het artikel 64-besluit geen rechtmatig verblijf oplevert. Dit geldt ook voor het op 1 december 2025 ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Daarbij komt dat in het besluit van 20 mei 2025 is vermeld dat alleen als tijdig, binnen 24 uur, een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, de behandeling daarvan in beginsel mag worden afgewacht. Nu eiser als gevolg van de artikel 64-procedure geen rechtmatig verblijf heeft, bestaat geen grond dat eiser om deze reden niet op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring kon worden gesteld.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft in augustus 2025 een nieuwe knie gekregen en loopt nu daarom nog met krukken of een rollator. Eiser ontvangt medicatie tegen zijn pijnklachten en staat onder behandeling van een longarts voor slaapapneu. Eiser heeft nog steeds last van zijn knie en wil daarom graag op het asielzoekerscentrum (azc) verblijven omdat daar een fysiotherapeut beschikbaar is. De detentieomstandigheden belemmeren het herstel van zijn knie. Eiser is nooit eerder met onbekende bestemming vertrokken en wil meewerken aan zijn presentatie aan de Nigeriaanse autoriteiten.
8. De rechtbank overweegt als volgt. De zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, zijn niet door eiser betwist. Uit deze gronden en de motivering blijkt dat er risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat eiser ook nadat de rechtbank op 25 november 2025 zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond heeft verklaard, heeft volhardt in zijn weigering om naar Nigeria te vertrekken, onder meer in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Dat eiser nimmer met onbekende bestemming is vertrokken, weegt niet op tegen de gronden waaruit wel een onttrekkingsrisico kan worden afgeleid. Verder heeft de minister in het gehoor voorafgaand aan de bewaring eiser voldoende bevraagd over zijn medische omstandigheden en is in de maatregel naar aanleiding daarvan voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een lichter middel, namelijk omdat op het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is en op dit moment geen sprake is van een behandeling voor een levensbedreigende ziekte. Eiser heeft zijn actuele medische omstandigheden niet met stukken onderbouwd en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat deze maken dat eiser niet in bewaring kan zijn of dat de belangenafweging om die reden in zijn voordeel moet uitvallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
9. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Nigeria. Hij wordt op 30 januari 2026 gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Het is onbekend of een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven. Daarbij bevindt zich geen “fit-to-fly” in het dossier.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er zicht is op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak1 is er in het algemeen zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval anders is. De minister heeft een lp aangevraagd bij de Nigeriaanse autoriteiten, deze is nog in behandeling en op 30 januari 2026 is een presentatie gepland. Dat er geen “fit-to-fly” in het dossier zit, is nog niet relevant, nu een dergelijk onderzoek pas kort voor vertrek wordt gedaan. Overigens is in het artikel 64-besluit van 20 mei 2025 vermeld dat uit het medisch advies van het BMA volgt dat eisers medische omstandigheden vertrek niet in de weg staan. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest Adrar2

11. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of een risico op non-refoulement in het kader van zijn gezondheid aanwezig is bij uitzetting naar Nigeria. Daarbij benadrukt eiser dat het gezien zijn medische toestand beter is als hij op een AZC verblijft waar de revalidatiemogelijkheden beter zijn.
12. De minister heeft in de maatregel beoordeeld of het beginsel van non-refoulement de uitzetting van eiser niet in de weg staat. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet het geval is. In de recente uitspraak van 25 november 2025 is het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat terugkeer naar Nigeria vanwege zijn medische omstandigheden leidt tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. In het besluit van 20 mei 2025 is op basis van een advies van het BMA beoordeeld dat dit niet het geval is. In wat in dit beroep is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:EU:C:2025:647.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.