ECLI:NL:RBDHA:2026:19998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/222696-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 303 SrArt. 6:106 BWArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling met voorbedachte rade en schadevergoeding

Op 8 juli 2025 werd het slachtoffer zwaar mishandeld door een groep mannen, waaronder de verdachte, die hem met stalen staven sloegen en schopten, wat leidde tot ernstig lichamelijk letsel zoals meerdere botbreuken, een klaplong en orgaanschade. De rechtbank stelde vast dat de verdachte samen met anderen handelde met voorbedachten rade en opzet, medeplegend aan deze zware mishandeling.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen, foto’s, WhatsApp-berichten en locatiegegevens van telefoons. De verdachte ontkende, maar zijn zwijgrecht en de bewijzen overtuigden de rechtbank van zijn betrokkenheid en medeplegen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een contactverbod werd niet opgelegd vanwege het verblijf van het slachtoffer in het buitenland.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €57.700, bestaande uit immateriële schade, toegewezen. De rechtbank hanteerde de Rotterdamse schaal voor smartengeld en veroordeelde de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het letsel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor €57.700 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/222696-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 november 2025, 10 februari 2026 (pro forma respectievelijk regie) en 7 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats] , gemeente Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- breuken van drie ribben aan de rechterzijde gecompliceerd door een longkneuzing en/of
- breuken van vier ribben aan de linkerzijde gecompliceerd door een klaplong en/of
- een breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas en/of
- een breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rugen/of
- een scheur in de milt en/of
- een scheur aan de linker nier en/of
- een open breuk van beide botten in het linkeronderbeen en/of
- een breuk van het onderste uiteinde van de linkerellepijp,
heeft toegebracht, door:
- die [slachtoffer] (al dan niet met een ijzeren staaf/wapenstok, althans een voorwerp) meermalen te slaan tegen het lichaam en/of
- die [slachtoffer] meermalen te schoppen tegen het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 8 juli 2025 te [plaats] , gemeente Noordwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld, door:
- die [slachtoffer] (al dan niet met een ijzeren staaf/wapenstok, althans een voorwerp) meermalen te slaan tegen het lichaam en/of
- die [slachtoffer] meermalen te schoppen tegen het lichaam,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- breuken van drie ribben aan de rechterzijde gecompliceerd door een longkneuzing en/of
- breuken van vier ribben aan de linkerzijde gecompliceerd door een klaplong en/of
- een breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas en/of
- een breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rug en/of
- een scheur in de milt en/of
- een scheur aan de linker nier en/of
- een open breuk van beide botten in het linkeronderbeen en/of
- een breuk van het onderste uiteinde van de linkerellepijp,
ten gevolge had.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank staat voor de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (al dan niet met voorbedachten rade) medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) dan wel aan het (al dan niet met voorbedachten rade) medeplegen van mishandeling van [slachtoffer] , terwijl dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Vaststaande feiten
Op 8 juli 2025 stonden vijf à zes mannen voor de woning van [slachtoffer] aan de [straatnaam] in [plaats] . De mannen hadden knuppels of ijzeren staven bij zich en riepen zijn naam. [slachtoffer] is door het badkamerraam zijn woning uit gevlucht. De mannen zijn achter hem aangerend en [slachtoffer] is vervolgens nabij zijn woning door minimaal één van de mannen geslagen met een wapenstok dan wel een ijzeren staaf. [slachtoffer] heeft hierbij fors letsel opgelopen, te weten een open breuk in beide botten in het linker onderbeen, een breuk in de linker ellepijp, gebroken ribben, breuken in ruggenwervels, een klaplong en een scheur in de mild en in de nier. [slachtoffer] is opgenomen op de intensive care en is meerdere malen aan zijn letsel geopereerd. Hiermee staat voor de rechtbank vast dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte hierbij betrokken is geweest en zo ja, of sprake is geweest van medeplegen, opzet en van voorbedachten rade. Om deze vragen te kunnen beantwoorden moet eerst worden gekeken naar twee eerdere incidenten.
Was de verdachte betrokken bij dit delict?
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de elfjarige dochter ( [dochter] ) van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) op 24 juni 2025 zou zijn lastiggevallen door een man, die [medeverdachte] herkende als [slachtoffer] . [medeverdachte] is diezelfde dag met een ander naar de woning van [slachtoffer] gegaan en heeft [slachtoffer] mishandeld. [medeverdachte] heeft hierbij met zijn telefoon een foto gemaakt van [slachtoffer] . Deze foto is vervolgens gedeeld in een bericht dat via WhatsApp is verspreid en op 7 juli 2025 bij de wijkagent terecht is gekomen. In het bericht stond dat ‘de man op de foto een veroordeeld zedendelinquent betreft die een meisje van 11, de dochter van [medeverdachte] , van haar fiets heeft getrokken. De gemeente en de politie doen er niks aan. Vader van het meisje lost het nu zelf op.’ Uit onderzoek in de telefoon van de verdachte kan worden afgeleid dat de hij op 24 juni 2025 niet de persoon was die met [medeverdachte] naar [slachtoffer] is gegaan. Wel heeft [medeverdachte] de verdachte, kort na deze mishandeling gebeld.
Uit berichten die zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat hij op 27 juni 2025 plannen heeft gemaakt om [slachtoffer] opnieuw te mishandelen. [medeverdachte] heeft een foto van een zwarte staaf aan de verdachte gestuurd met de vraag of hij meeging. [medeverdachte] stuurde hierbij dat zijn dochter zo bang is, dat zij al 3 dagen bij haar moeder in bed slaapt en dat hij in alle staten is. De verdachte antwoordde dat hij meeging: “alles voor [dochter] ”. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] zich op deze datum niet in zijn woning bevond, zodat het niet tot een confrontatie is gekomen.
Vervolgens heeft het incident op 8 juli 2025 plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] zwaar is mishandeld op de [straatnaam] . [slachtoffer] heeft verklaard dat hij één van de mannen die die avond voor zijn deur stonden, herkende als één van de twee mannen van het incident op 24 juni 2025. De dag van de mishandeling had [medeverdachte] rond 20:00 uur via WhatsApp contact met de verdachte, waarbij de verdachte zei dat hij eraan zou komen. [medeverdachte] zei dat de verdachte wel even [naam] moest ophalen met zijn stalen neuzen.
De melding van de mishandeling van [slachtoffer] kwam bij de politie binnen om 20:41 uur. In de telefoon van de verdachte zijn op 8 juli 2025 om 20.49 uur vanuit de applicatie “snapchat’ coördinaten zichtbaar die de plaats delict betreffen. De telefoon van [medeverdachte] maakte om 20.30 uur gebruik van een zendmast die de plaats delict aanstraalde. In de telefoon van [medeverdachte] is een foto aangetroffen van [slachtoffer] , die ineengedoken in afwerende houding ligt met zijn armen bij zijn hoofd. Naast [slachtoffer] staat een blanke man met een gebalde rechtervuist. Net als de politie herkent de rechtbank deze man als de verdachte. De foto is gemaakt met de telefoon van [medeverdachte] en de datum en het tijdstip, 8 juli 2025 om 20:49 uur, komen overeen met het tijdstip waarop [slachtoffer] is mishandeld.
Diezelfde avond voerde de verdachte via WhatsApp een gesprek met zijn zus, waarin hij op haar vraag of het was gelukt, bevestigend antwoordde en aangaf ‘ja die hebben we goed te pakken gehad’. Ook gaf de verdachte aan dat ze zich nu ‘even mak moeten houden’ omdat de politie ze zoekt.
Hoewel bovengenoemde omstandigheden vragen om een verklaring, heeft de verdachte zich zowel bij de politie als ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht.
De rechtbank is op grond van vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op 8 juli 2025 betrokken is geweest bij de zware mishandeling van [slachtoffer] .
Medeplegen?
De verdachte wordt verweten dat hij het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft
gepleegd. Om als medepleger te kunnen worden aangemerkt, is vereist dat
er tussen de verschillende daders sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Of daarvan sprake is en of de samenwerking voldoende intensief was, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Niet is vereist dat exact vast te stellen is wat een ieders rol is geweest bij een gepleegd delict.
Hoewel niet exact kan worden vastgesteld wie wat heeft gedaan tijdens de mishandeling van [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van het delict. Dit leidt de rechtbank af uit de hiervoor omschreven handelingen van de verdachte en de medeverdachten voorafgaand aan en tijdens de mishandeling. De verdachte heeft, nadat een eerder voorgenomen ontmoeting met [slachtoffer] op 27 juni 2025 niet tot stand is gekomen, op 8 juli 2025 opnieuw afgesproken met zijn medeverdachten, waarna hij met hen, voorzien van stalen staven/wapenstokken, naar de woning van [slachtoffer] is gegaan. Nadat [slachtoffer] uit zijn woning is gevlucht, is de verdachte met zijn medeverdachten achter [slachtoffer] aangerend, waarna [slachtoffer] – die niet ver is gekomen – door minimaal één van de mannen is mishandeld met een stalen staaf/wapenstok. De overige verdachten stonden hierbij en hebben de mishandeling van [slachtoffer] afgeschermd, zo volgt uit een getuigenverklaring.
De rechtbank komt alles overziend tot het oordeel dat de verdachte zich samen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer] op 8 juli 2025 in [plaats] .
Opzet?
[slachtoffer] is meerdere malen met ijzeren staven/wapenstokken tegen zijn lichaam geslagen. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , dat de verdachten de aanmerkelijke kans daarop bewust hebben aanvaard. De omstandigheid dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie van de verdachten [slachtoffer] met de ijzeren staven/ wapenstokken heeft geslagen, doet daaraan – gelet op de hiervoor geschetste gezamenlijke uitvoering en uiterlijke verschijningsvorm – niet af.
Voorbedachten rade
Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden leidt de rechtbank verder af dat de verdachten het vooropgezette plan hadden om [slachtoffer] te mishandelen.
Vast is komen te staan dat de aanleiding van de mishandeling is geweest dat [slachtoffer] de
dochter van [medeverdachte] zou hebben lastig gevallen.
Op 27 juni 2025 stuurde [medeverdachte] een foto van een zwarte staaf naar de verdachte met de vraag of hij meeging. [slachtoffer] was toen echter niet thuis. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte en [medeverdachte] kennelijk al in juni 2025 bezig waren met het plannen van het aanpakken van [slachtoffer] .
Op 8 juli 2025 zijn de verdachten vervolgens bij elkaar gekomen en zijn ze voorzien van ijzeren staven/wapenstokken naar de woning van [slachtoffer] gegaan en is [slachtoffer] mishandeld.
Uit deze gang van zaken volgt dat de verdachte voorafgaand aan het toebrengen van het letsel voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het genomen of te nemen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gehandeld met voorbedachten rade.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 8 juli 2025 te [plaats] , gemeente Noordwijk, tezamen en in vereniging met anderen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- breuken van drie ribben aan de rechterzijde gecompliceerd door een longkneuzing en
- breuken van vier ribben aan de linkerzijde gecompliceerd door een klaplong en
- een breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas en
- een breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rug en
- een scheur in de milt en
- een scheur aan de linker nier en
- een open breuk van beide botten in het linkeronderbeen en
- een breuk van het onderste uiteinde van de linkerellepijp,
heeft toegebracht, door:
- die [slachtoffer] met een ijzeren staaf/wapenstok, althans een voorwerp meermalen te slaan tegen het lichaam.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] gevorderd. Per overtreding zou twee weken hechtenis met een maximum van zes maanden moeten worden opgelegd. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] en eventueel aanvullend een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade. Naar aanleiding van een vermeend incident met de dochter van een medeverdachte, heeft de verdachte gemeend voor eigen rechter te moeten spelen en heeft hij samen met zijn medeverdachten, voorzien van (voorwerpen gelijkend op) ijzeren staven extreem geweld uitgeoefend op het slachtoffer, dat in zijn eentje tegenover een groep van vijf of zes mannen geen schijn van kans had. De verdachten hebben het slachtoffer opgejaagd op de openbare weg, bijna dood geslagen en vervolgens aan zijn lot overgelaten.
De handelingen van de verdachte en de medeverdachten hebben verstrekkende gevolgen gehad voor het slachtoffer dat naar aanleiding van de mishandeling onder meer een open beenbreuk, een gebroken arm, gebroken ribben en ruggenwervels, een klaplong en een scheur in de mild en de nier heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft meerdere operaties moeten ondergaan en is na een verblijf in het ziekenhuis uit angst naar het buitenland gevlucht. Het staat vast dat dergelijk geweld voor een slachtoffer heftig is en grote gevolgen heeft. Het feit heeft zich bovendien op de openbare weg afgespeeld, in het zicht van omstanders, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot kunnen worden.
De verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad of spijt betuigd ten opzichte van het slachtoffer. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee bij de bepaling van de straf die zij zal opleggen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 29 januari 2026, waaruit volgt dat de reclassering door de ontkenning van het delict, het ontbreken van aanwijsbare problemen, het ontbreken van delictgeschiedenis en het ontbreken van een hulpvraag geen aanknopingspunten ziet voor het opstellen van een plan van aanpak om gedragsverandering te bewerkstelligen en de kans op recidive
te voorkomen. Door de ontkenning van het delict kan er geen inschatting gemaakt
worden van de recidivekans. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, alsmede een contactverbod met het slachtoffer.
Straf
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een lange duur met zich brengt.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht het, anders dan de officier van justitie, niet noodzakelijk om ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Daartoe is van belang dat [slachtoffer] thans niet in Nederland verblijft en, indien hij in de toekomst weer naar Nederland zou komen, onbekend is waar zijn verblijfplaats dan zou zijn. Daarnaast is niet gebleken dat het slachtoffer nog te vrezen zou hebben van de verdachte.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 57.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Het bewezenverklaarde levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De schade die de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg daarvan lijdt, moet de verdachte in beginsel vergoeden.
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek komt de benadeelde partij daarom in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Bij het vaststellen van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde aanbevelingen.
De rechtbank is van oordeel dat het letsel als gevolg van de dubbele open beenbreuk valt onder categorie 5.13 onder d ‘middelzwaar beenletsel’ van de Rotterdamse schaal. Dit omvat gecompliceerde of meervoudige breuken of ernstig letsel door verbrijzeling, doorgaans aan één ledemaat. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 27.000,00 voor dit letsel billijk.
De rechtbank is van oordeel dat de breuk in de linker ellepijp valt onder categorie 5.7 onder d ‘gering armletsel’ van de Rotterdamse schaal. Dit omvat onder meer een eenvoudige breuk in de onderarm zonder risico op artritis, waarbij het herstel plaatsvindt tussen ongeveer zes maanden en een jaar. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 3.500,00 voor dit letsel billijk.
De rechtbank is van oordeel dat de breuken van drie ribben aan de rechterzijde, gecompliceerd door een longkneuzing, valt onder categorie 4.1 onder f ‘minst ernstige borstletsel’ van de Rotterdamse schaal. Dit omvat gebeurtenissen die leiden tot een klaplong, waarvan de benadeelde volledig en zonder complicaties herstelt, maar waarbij het herstel langer dan zes maanden vergt. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 3.500,00 voor dit letsel billijk.
De rechtbank is van oordeel dat de breuken van vier ribben aan de linkerzijde, gecompliceerd door een klaplong met lucht in de ruimte tussen longen en hart en onderhuids, valt onder categorie 13 onder b ‘licht letsel met een herstelperiode tussen de twee en vier maanden’ van de Rotterdamse schaal. Dit omvat een gebroken rib met enkele dagen tot weken beperkingen voor het verrichten van arbeid of enkele dagen tot weken beperkingen voor het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en/of zelfwerkzaamheid. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 8.700,00 voor dit letsel billijk, omdat het gaat om vier gebroken ribben.
De rechtbank is van oordeel dat de breuk van een achteruitsteeksel van twee rugwervels ter hoogte van de borstkas valt onder categorie 5.3 onder c ‘gering rugletsel’ van de Rotterdamse schaal. Dit omvat minder ernstig letsel, zoals verstuikingen, verrekkingen, letsel aan weke delen en breuken die zonder operatie herstellen met een hersteltermijn tussen de zes maanden tot één jaar. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 6.000,00 voor dit letsel billijk, omdat het gaat om breuken van twee rugwervels.
De rechtbank is van oordeel dat de breuk van een zij-uitsteeksel van drie rugwervels ter hoogte van de lage rug ook valt onder categorie 5.3 onder c ‘gering rugletsel’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht op basis van de Rotterdamse schaal het gevorderde bedrag van € 9.000,00 voor dit letsel billijk, omdat het gaat om breuken van drie rugwervels.
Bij meervoudig letsel geldt binnen de Rotterdamse schaal de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld. Omdat het letsel aan de mild en de nier echter niet in de berekening zijn meegenomen en omdat niet is verzocht om een verhoging van het smartengeld met het binnen de Rotterdamse schaal aanbevolen percentage van 25% wegens ernstige verwijtbaarheid of opzet op het toebrengen van letsel, acht de rechtbank het billijk om de hiervoor genoemde bedragen zonder toe te passen korting bij elkaar op te tellen.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen zoals verzocht, te weten tot een bedrag van € 57.700,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Aangezien de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 57.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het primair tenlastegelegde:
medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
24 (vierentwintig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 57.700,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 57.700,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 248 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.