ECLI:NL:RBDHA:2026:20016

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.20017
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:84 AwbArt. 26 VwArt. 1.1 WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning studie wegens verblijfsgat

Eiseres, met Turkse nationaliteit, had eerder een verblijfsvergunning voor studie en een zoekjaar hoger opgeleiden. De universiteit diende op 3 juli 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning studie met ingang van 1 september 2024. Verweerder verleende deze vergunning met die ingangsdatum, maar wees het bezwaar van eiseres tegen deze datum af vanwege een verblijfsgat van drie dagen.

Eiseres stelde dat zij al aan de voorwaarden voldeed bij inschrijving en dat de vergunning eerder had moeten ingaan. Zij voerde ook het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en schending van de hoorplicht aan. Verweerder stelde dat de startdatum van de studie 1 september was en dat er geen reden was om de vergunning eerder te laten ingaan.

De rechtbank oordeelde dat de vergunning conform de aanvraag was verleend en dat de wet geen ruimte liet voor een eerdere ingangsdatum. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de vergelijkbare zaak een andere studie betrof met een andere startdatum. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20017

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Luscuere),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Met de kennisgeving van 12 juli 2024 heeft verweerder de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel van eiseres goedgekeurd en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’ verleend met ingang van 1 september 2024.
In het besluit van 2 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft eerder een verblijfsvergunning regulier, met de beperking ‘studie’ gehad, geldig van 1 september 2020 tot 30 november 2023; en een verblijfsvergunning, met de beperking ‘zoekjaar hoger opgeleiden’, geldig van 29 augustus 2023 tot 29 augustus 2024. Op 3 juli 2024 heeft de [universiteit] ( [universiteit] ), als referent, ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, met de beperking ‘studie’. Deze vergunning is verleend met ingang van 1 september 2024 tot 30 november 2025.
2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van deze laatste verblijfsvergunning. Omdat de voorgaande vergunning afliep op 29 augustus 2024 en deze vergunning drie dagen later, op 1 september 2024, inging, is er een verblijfsgat ontstaan. Dit verblijfsgat kan in de toekomst problemen opleveren, wanneer eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, een vergunning voor langdurig ingezetenen of een naturalisatieverzoek wil indienen.
3. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard omdat op de aanvraag als startdatum voor de studie 1 september 2024 is vermeld, en ook na navraag bij de [universiteit] niet is gebleken dat de studie feitelijk op een eerdere datum is aangevangen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat eiseres per 1 september 2024 formeel aan alle voorwaarden voldeed voor de gevraagde vergunning en er geen reden was om de vergunning eerder te verstrekken. Omdat er volgens verweerder geen twijfel kon bestaan over de uitkomst van de bezwaarprocedure is eiseres niet gehoord.
4. Eiseres verzoekt om aanhouding van de zaak teneinde de rechtbank de gelegenheid te bieden de verantwoordelijke medewerker van de [universiteit] als getuige op te roepen om een toelichting te geven op de werkwijze bij de universiteit en de (informele) afspraken met verweerder. Alleen zo kan inzicht verkregen worden in de reden waarom zij aanvragen van studenten verschillend voorlegt aan verweerder. Eiseres heeft een aanvraag van een andere student van de [universiteit] overgelegd waaruit blijkt dat een eerdere ingangsdatum dan 1 september door verweerder is goedgekeurd. Het verzoek om aanhouding is opgekomen na bestudering van de nagekomen stukken van verweerder op de dag voor de zitting.
5. Inhoudelijk voert eiseres tegen het bestreden besluit, kort samengevat, het volgende aan. Het bestreden besluit is niet goed gemotiveerd, nu verweerder daarin ten onrechte stelt dat een verblijfsvergunning voor studie niet eerder dan per 1 september van elk jaar kan ingaan, omdat in de WHW [1] bepaald is dat het collegejaar op deze datum aanvangt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij al aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning voldeed op het moment dat zij officieel bij de universiteit was ingeschreven. Het moment van ontvangst van de aanvraag bij verweerder is dan bepalend. Dat was ruim vóór 1 september 2024. Ook doet eiseres een beroep op het evenredigheidsbeginsel, nu het verblijfsgat slechts drie dagen betreft, er geen enkel redelijk belang zich verzet tegen eerdere afgifte van de verblijfsvergunning, en het belang voor eiseres juist groot is. Verder doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel en heeft ze een beschikking van verweerder in een andere zaak overgelegd, waaruit blijkt dat een vergunning voor studie met een ingangsdatum voor 1 september is verleend. Ten slotte voert eiseres aan dat de hoorplicht is geschonden; uit de navraag die verweerder heeft gedaan bij de [universiteit] tijdens de bezwaarfase blijkt dat de ingangsdatum geen uitgemaakte zaak was. Er was daarom geen ruimte om het bezwaar onder verwijzing naar artikel 7:3 van Pro de Awb [2] kennelijk af te doen, en af te zien van de hoorplicht.

Het oordeel van de rechtbank

Verzoek om aanhouding
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en de [universiteit] te vragen om nadere uitleg. Op basis van de ingebrachte stukken en de uitleg op zitting acht de rechtbank zich voldoende ingelicht om een inhoudelijke beoordeling van het beroep te kunnen geven.
Start van het studiejaar
7. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Vw [3] wordt een verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Artikel 1.1 van de WHW bepaalt onder m. dat een studiejaar het tijdvak betreft dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.
8. De rechtbank stelt vast dat op het aanvraagformulier dat de [universiteit] ten behoeve van eiseres heeft ingediend, als startdatum voor de studie 1 september 2024 heeft ingevuld. De vergunning die verweerder heeft verleend komt daarmee precies overeen met wat is aangevraagd. Nadat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de ingangsdatum heeft verweerder navraag gedaan bij de [universiteit] of er mogelijk sprake was van verplichte voorbereidende introducties of bijeenkomsten. Dit bleek niet het geval te zijn. Verweerder ontkent hiermee niet dat het mogelijk is om een verblijfsvergunning voor studie eerder dan per 1 september af te geven, maar stelt dat er op basis van de feiten in het dossier van eiseres geen reden was om van een eerdere startdatum uit te gaan. De rechtbank volgt deze redenering en oordeelt dat eiseres per 1 september 2024 voldeed aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Op grond van artikel 26 van Pro de Vw kon verweerder niet eerder dan op die dag haar verblijfsvergunning laten ingaan. [4]
Evenredigheidsbeginsel
9. Omdat de voorwaarden voor de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning en de ingangsdatum zijn vastgelegd in een wet in formele zin, de Vreemdelingenwet 2000, is er geen ruimte voor een belangenafweging op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb. Voor zover eiseres verwijst naar bepalingen in het Vreemdelingenbesluit waarin de wet verder is uitgewerkt, maakt dit niet dat daarmee alsnog beleidsruimte ontstaat. De rechtbank heeft de grond van eiseres opgevat als een verzoek om exceptieve toetsing, op basis waarvan de bestuursrechter een algemeen verbindend voorschrift kan toetsen aan de algemene rechtsbeginselen. Indien bijzondere individuele omstandigheden, die de wetgever niet heeft verdisconteerd in de wettelijke bepaling, onverkorte toepassing van het wettelijke voorschrift onaanvaardbaar maken, kan de bestuursrechter de bepaling buiten toepassing laten.
10. De rechtbank stelt vast dat eiseres precies de vergunning heeft gekregen die is aangevraagd en die zij nodig had om haar studie te volgen in Nederland. Het gegeven dat eiseres mogelijk in de toekomst niet of met meer moeite in aanmerking kan komen voor een andere verblijfsvergunning of naturalisatie maakt het bestreden besluit niet onevenredig. [5] Voor zover eiseres zich teweer stelt tegen de door de [universiteit] ingevulde startdatum van haar studie, en daarmee de startdatum van haar verblijfsvergunning, ligt het op de weg van eiseres om dat zelf met de [universiteit] op te nemen.
Gelijkheidsbeginsel
11. In het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiseres een beschikking van verweerder overgelegd van een andere studente, die zich, naar eiseres meent, in een vergelijkbare situatie bevond als eiseres zelf. Verweerder heeft aan deze andere studente wel een vergunning per 30 augustus 2024 afgegeven. Hieruit blijkt dat verweerder wel degelijk een vergunning voor studie kan afgeven die aanvangt op een eerdere datum dan op 1 september van een gegeven jaar.
12. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting het aanvraagformulier van de genoemde studente overgelegd. Hieruit blijkt dat de aanvang van de studie door de aanvrager (de [universiteit] ) is bepaald op 30 augustus. Ook in dit geval heeft verweerder dus de aanvraag ingewilligd zoals die was voorgelegd. Het betreft bovendien een andere studie dan die van eiseres, zodat het mogelijk is dat er andere vereisten golden voor de aanwezigheid vóór 1 september. In deze omstandigheid oordeelt de rechtbank dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in een vergelijkbare zaak een andere beslissing is genomen en kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
Hoorplicht
13. De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van Pro de Awb. Van horen kan worden afgezien om een aantal redenen, die uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van Pro de Awb. Het gaat hier om de reden die in deze bepaling is opgenomen onder b. Op grond daarvan kan van horen worden afgezien als een bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat dit het geval is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. [6] Uit het enkele feit dat verweerder ten behoeve van de zorgvuldige besluitvorming extra navraag heeft gedaan bij de [universiteit] over de startdatum van de studie van eiseres, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon verwerpen. Een nadere toelichting door eiseres had niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Zodoende heeft verweerder de hoorplicht niet geschonden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4264.
5.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 9 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4936.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2564, r.o. 4.1.