ECLI:NL:RBDHA:2026:4936

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL25.26809
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:3 sub b Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen besluit wijziging verblijfsvergunning met verblijfsgat

Eiser, een Ghanees, diende op 26 november 2024 een aanvraag in voor wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier naar arbeid zoeken en verrichten. Verweerder verleende de vergunning met ingang van 7 maart 2025, waardoor een verblijfsgat ontstond van 1 december 2024 tot 7 maart 2025. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het verblijfsgat niet aan hem te wijten was en dat verweerder het evenredigheidsbeginsel niet toepaste.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de vergunning wordt verleend vanaf de dag waarop aan alle voorwaarden is voldaan, maar niet eerder dan de datum van ontvangst van de aanvraag. De wet laat geen ruimte voor een eerdere ingangsdatum, ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering.

Verder stelde de rechtbank vast dat de vertraging in het aanleveren van de verklaring afronding studie aan eiser zelf te wijten was, omdat hij een betaalachterstand had. Het bezwaar dat verweerder eiser niet heeft gehoord werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot wijziging van de verblijfsvergunning met ingang van 7 maart 2025 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26809

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op zijn aanvraag voor het wijzigen van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 maart 2025 (het primaire besluit) ingewilligd. Daarbij heeft verweerder eiser bericht dat hem een verblijfsdocument zal worden verstrekt met een geldigheidsduur van 7 maart 2025 tot en met 7 maart 2026. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser aan deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Ghanese nationaliteit. Hij heeft op 26 november 2024 een aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier naar ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Verweerder heeft de aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning verstrekt, geldig van 7 maart 2025 tot 7 maart 2026. Omdat de geldigheidsduur van zijn vorige verblijfsvergunning eindigde op 1 december 2024, ontstaat hierdoor een onderbreking in het verblijfsrecht van eiser (een zogeheten ‘verblijfsgat’) van 1 december 2024 tot 7 maart 2025. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend voor het aflopen van zijn eerdere verblijfsrecht, maar volgens verweerder voldeed eiser pas op 7 maart 2025 aan alle voorwaarden en is de verblijfsvergunning daarom met ingang van die datum verleend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst stelt hij dat het verblijfsgat niet aan hem te wijten is en dat verweerder de verstrekkende gevolgen ervan onvoldoende heeft betrokken. Verweerder heeft ten onrechte het evenredigheidsbeginsel niet toegepast. Verder heeft verweerder in strijd gehandeld met de hoorplicht door eiser niet te horen in de bezwaarfase. Het besluit is volgens eiser dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers verblijfsvergunning terecht met ingang van 7 maart 2025 heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser terecht met ingang van 7 maart 2025 heeft verleend.
5.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) staat dat de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De wet biedt verweerder geen ruimte om een eerdere ingangsdatum dan de datum waarop is voldaan aan alle voorwaarden te hanteren. Omdat het hier om een wet in formele zin gaat, is het ook niet mogelijk om daar met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van af te wijken. Een toets aan algemene rechtsbeginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel is slechts aanvaardbaar als de toepassing van de wettelijke bepaling, vanwege bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd, zozeer in strijd is met de algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat de toepassing daarvan achterwege moet blijven. [1] Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke uitzondering in het geval van eiser niet aan de orde. De door eiser gestelde bijzondere omstandigheden, namelijk de negatieve invloed die het verblijfsgat mogelijk zal hebben op toekomstige verblijfsaanspraken dan wel naturalisatie, brengen niet mee dat toepassing van artikel 26 Vw Pro zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven.
5.2.
Nu eiser zijn aanvraag op 26 november 2024 heeft ingediend en op 7 maart 2025
– met het overleggen van een verklaring afronding studie – heeft aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen, heeft verweerder terecht de vergunning verleend met ingang van 7 maart 2025. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze latere ingangsdatum van de verblijfsvergunning aan eiser zelf te wijten is. Eiser heeft namelijk bij brief van 15 november 2024 verklaard dat hij een betaalachterstand had en daardoor de kosten voor de verwerking van zijn diploma niet kon betalen. Dat de vertraging in het aanleveren van de verklaring afronding studie aan de universiteit te wijten is volgt de rechtbank daarom niet. Verweerder heeft terecht gesteld dat het eisers eigen verantwoordelijkheid is om zijn financiën op orde te hebben en tijdig aan deze verplichting te voldoen. Dat verweerder de verstrekkende gevolgen van het verblijfsgat voor eiser onvoldoende heeft betrokken en het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd volgt de rechtbank gelet op het voorgaande evenmin.
6. Wat betreft het niet horen overweegt de rechtbank dat hoewel in de regel terughoudend moet worden omgegaan met het afzien van horen, in dit geval van het horen mocht worden afgezien. In bezwaar heeft eiser namelijk niet ter discussie gesteld dat hij pas op 7 maart 2025 een verklaring afronding studie heeft overgelegd. Gelet op artikel 26, eerste lid, van de Vw zou het tegemoetkomen aan het bezwaar van eiser – dat erop neer kwam een ingangsdatum te bepalen voordat aan alle voorwaarden voor de vergunning was voldaan - in strijd zijn met artikel 26 Vw Pro. Het bezwaar is daarom terecht afgedaan als kennelijk ongegrond. In die gevallen hoeft er volgens artikel 7:3, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht niet gehoord te worden.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden de verblijfsvergunning met ingang van 7 maart 2025 verleend. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772) en van 27 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2836).