ECLI:NL:RBDHA:2026:2002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5197
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 VwArt. 59 lid 1 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, werd op 27 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 29 januari 2026 opgeheven.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de voortzetting van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot 12 november 2025 rechtmatig was, maar dat daarna de voortzetting onrechtmatig werd door het niet tijdig versturen van een kennisgeving binnen de wettelijke termijn van 75 dagen.

Verweerder erkende dit verzuim, waardoor het beroep gegrond werd verklaard. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €480 voor vier dagen onrechtmatige detentie en veroordeelde de Staat tevens tot betaling van de proceskosten van €934. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de maatregel van bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €480 toe aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 29 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 5 februari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 12 november 2025 de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder heeft verzuimd een kennisgeving van de voortduring van de maatregel van bewaring te versturen binnen 75 dagen na de datum van het sluiten van het onderzoek in het voorgaande beroep. Dit betekent dat de voortduring van de maatregel van bewaring vanaf 26 januari 2026 tot aan de opheffing daarvan onrechtmatig was, aldus eiser.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift erkent dat hij niet tijdig een kennisgeving heeft verzonden, zodat niet in geschil is dat eiser vanaf 26 januari 2026 tot aan de opheffing van de maatregel van bewaring in aanmerking komt voor een schadevergoeding. Reeds om die reden is het beroep gegrond.
6. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen voor vier dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende maatregel, tot een bedrag van € 480 : te weten 4 x € 120 (verblijf detentiecentrum).
7. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [3] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480 (vierhonderdtachtig euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; en
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 17 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21590.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.