ECLI:NL:RBDHA:2026:2003
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 18 maart 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 12 november 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Op 15 januari 2026 vond de zitting plaats, waarbij noch eiser noch zijn gemachtigde aanwezig waren. De rechtbank vroeg de gemachtigde of er nog contact was met eiser, waarop werd bevestigd dat dat niet het geval was. Tevens bleek dat eiser op 23 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en zich niet meer had gemeld bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA).
De rechtbank oordeelde dat eiser daardoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Gezien het fundamentele belang van toegang tot de rechter werd dit zorgvuldig afgewogen, maar het ontbreken van contact en het vertrek met onbekende bestemming leidde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.