ECLI:NL:RBDHA:2026:2003

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
NL25.55794 en NL25.55795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 18 maart 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 12 november 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

Op 15 januari 2026 vond de zitting plaats, waarbij noch eiser noch zijn gemachtigde aanwezig waren. De rechtbank vroeg de gemachtigde of er nog contact was met eiser, waarop werd bevestigd dat dat niet het geval was. Tevens bleek dat eiser op 23 december 2025 met onbekende bestemming was vertrokken en zich niet meer had gemeld bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA).

De rechtbank oordeelde dat eiser daardoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Gezien het fundamentele belang van toegang tot de rechter werd dit zorgvuldig afgewogen, maar het ontbreken van contact en het vertrek met onbekende bestemming leidde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55794 (beroep) en NL25.55795 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: verzoeker)

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 18 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 12 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde waren daarbij niet aanwezig. De gemachtigde van verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, ook niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag als kennelijk ongegrond niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft op 7 januari 2026 meegedeeld dat eiser op 23 december 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Op 7 januari 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact met hem heeft. Op 12 januari 2026 heeft eisers gemachtigde meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser. Eiser en zijn gemachtigde zijn ook niet ter zitting verschenen.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. [2]
4. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser zich na de mob-melding weer heeft gemeld bij het COa [3] . Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vw.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.