ECLI:NL:RBDHA:2026:20043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.48299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, eerste lid, VwArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en geen recht op reguliere verblijfsvergunning

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend met het argument dat hij bij terugkeer naar Oost-Timor vreest voor milities. Dit relaas was reeds bij eerdere aanvragen door verweerder en rechterlijke instanties als ongeloofwaardig beoordeeld. Na uitzetting naar Oost-Timor en vertrek naar Portugal, diende eiser opnieuw een asielaanvraag in in Nederland, met dezelfde gronden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het huidige relaas van eiser voortbouwt op het eerder afgewezen verhaal en onvoldoende is onderbouwd, waardoor de geloofwaardigheid niet is hersteld. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader en de negatieve publiciteit rondom zijn terugkeer, maar deze stellingen zijn niet onderbouwd.

Verder is besproken dat eiser werkzaam is als kok in Nederland en aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning op grond van privéleven en werkzaamheden. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen ambtshalve vergunning heeft verleend, mede gelet op de korte verblijfsduur en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank concludeert dat de asielaanvraag terecht is afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas en geen recht op reguliere verblijfsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48299
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Oost-Timor vreest voor milities. Eiser heeft deze problemen ook aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd. Verweerder heeft dit relaas bij besluit van 19 februari 2021 ongeloofwaardig geacht. Dit oordeel staat in rechte vast. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit namelijk ongegrond verklaard. [1] Ook het daartegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling [2] ongegrond verklaard. [3]
2. Eiser is op 20 oktober 2023 uitgezet naar Oost-Timor. Hij heeft daar drie dagen verbleven en is vervolgens legaal per vliegtuig naar Portugal vertrokken. Medio januari 2024 is eiser naar Nederland gekomen en op 17 januari 2024 heeft hij wederom asiel aangevraagd. Aan deze aanvraag heeft hij opnieuw ten grondslag gelegd dat hij in de negatieve aandacht staat van milities in Oost-Timor. Verweerder heeft ook dit relaas ongeloofwaardig geacht en de asielaanvraag afgewezen.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat zijn terugkeer naar Oost-Timor veel negatieve publiciteit heeft gekregen. Volgens eiser heeft verweerder verder onvoldoende rekening gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft echter terecht van belang geacht dat eiser niet heeft toegelicht op welke onderdelen zijn referentiekader zijn verklaringen heeft beïnvloed en waarom dit tot een andere geloofwaardigheidsbeoordeling zou moeten leiden. Eiser heeft zijn stelling dat zijn terugkeer veel publicitaire aandacht heeft gekregen ook niet onderbouwd. Daarbij komt dat eisers huidige relaas voortbouwt op zijn eerdere relaas over de problemen met milities, dat al ongeloofwaardig is bevonden. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat ook het huidige relaas ongeloofwaardig is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder niet ambtshalve heeft beoordeeld of hij vanwege zijn privéleven en werkzaamheden in Nederland in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Ter zitting is besproken dat eiser al enige tijd als kok werkzaam is bij een Indonesisch restaurant. Asielzoekers mogen onder bepaalde voorwaarden tijdens hun asielprocedure arbeid in loondienst verrichten. Voor het verkrijgen van een reguliere verblijfsvergunning voor arbeid gelden echter andere voorwaarden. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij om humanitaire redenen in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning, zodat hij zijn gezin kan onderhouden. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter wel beoordeeld of daarvoor aanleiding bestaat. Gelet op de beschikbare informatie bestond voor verweerder geen aanleiding om eiser ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. Het staat eiser vrij om, als hij zijn aanspraak daarop voldoende kan onderbouwen, een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in te dienen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Voor zover eiser zich in het kader van zijn privéleven beroept op artikel 8 van Pro het EVRM [4] , overweegt de rechtbank dat zijn verblijf in Nederland altijd onzeker is geweest en dat hij hier nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Mede gelet op de relatief korte duur van zijn verblijf in Nederland, zijn geen bijzondere individuele omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder hem een reguliere verblijfsvergunning had moeten verlenen. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om eiser ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank concludeert dat verweerder de asielaanvraag terecht heeft afgewezen en dat verweerder terecht niet ambtshalve een reguliere vergunning heeft verleend. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 12 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11314.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Uitspraak van 24 november 2021, nrs. 202106861/1/V2 en 202106861/2/V2.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.