ECLI:NL:RBDHA:2026:20046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 50 Vw 2000Art. 447e SrArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en verwijderingsbesluit Unieburger

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring beoordeeld. Eiser stelde dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding, overschrijding van de ophoudingstermijn, ongeldigheid van het verwijderingsbesluit, en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld. De rechtbank oordeelde dat er een strafrechtelijke aanleiding was voor de aanhouding en dat de ophoudingstermijn niet was overschreden.

Verder werd geoordeeld dat het verwijderingsbesluit van 11 december 2025 nog geldig is omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De minister heeft terecht de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert.

De rechtbank verwierp het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast en oordeelde dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting. Het arrest Aroja is niet van toepassing omdat eiser een Unieburger is. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 27 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake geweest van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding?
3. Eiser voert aan dat sprake is geweest van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Eiser is weliswaar op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht om zijn identiteitspapieren gevraagd, maar uit de stukken kan niet worden afgeleid wat de strafrechtelijke aanleiding was voor zijn aanhouding.
3.1.
Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisanten op 26 juni 2026 rond 19:20 uur een melding kregen van overlast van een persoon. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen, troffen ze eiser aan. Aan eiser is toen gevraagd wat zijn naam is, waarop hij antwoordde geen documenten bij zich te hebben. Vervolgens is een identiteitsfouillering bij eiser uitgevoerd, waarbij geen identiteitsdocument is aangetroffen. Om die reden is eiser aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat er een strafrechtelijke aanleiding was voor eisers aanhouding. Voor zover eiser wil betogen dat de strafrechtelijke aanhouding en daaropvolgende aanhouding onrechtmatig zijn geweest, kan de rechtbank hier niet over oordelen. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. [2]
Is de ophoudingstermijn van zes uur overschreden?
4. Eiser voert verder aan dat de maximale ophoudingstermijn van zes uur is overschreden. Eiser gaat er daarbij vanuit dat er, omdat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding, gerekend moet worden vanaf het moment van de strafrechtelijk aanhouding, op 26 juni 2026 om 20:25 uur. Eiser is pas op 27 juni 2026 om 15:29 uur in bewaring gesteld.
4.1.
Dat de ophoudingstermijn al op 26 juni 2026 om 20:25 uur is aangevangen volgt de rechtbank niet, gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen. Volgens artikel 50 van Pro de Vw 2000 mag de duur van de ophouding niet meer dan zes uren bedragen. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt dat eiser – aansluitend op strafrechtelijke heenzending – is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor waar hij op 27 juni 2026 om 11:00 uur aankwam. Uit de maatregel van bewaring blijkt vervolgens dat eiser op die dag om 15:29 uur in bewaring is gesteld. Dit betekent dat eiser binnen de voorgeschreven termijn van zes uur in bewaring is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het verwijderingsbesluit (nog) geldig?
5. Eiser voert aan dat het besluit van 11 december 2025, waarmee is vastgesteld dat eisers geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht (het verwijderingsbesluit), niet op de juiste wijze aan eiser kenbaar is gemaakt. Het besluit zou op 18 januari 2026 aan eiser zijn uitgereikt, maar de datum van het besluit is op het uitreikingsblad niet vermeld. Daarnaast zou zijn gezegd dat eiser Nederland zo spoedig mogelijk moest verlaten, terwijl hij een vertrektermijn had van een maand. Daarnaast blijkt uit de maatregel van bewaring dat eiser op 20 maart 2026 is uitgezet. Daarmee heeft eiser voldaan aan zijn plicht om Nederland te verlaten en mocht hij rechtsgeldig Nederland weer inreizen. In het besluit is immers niets vermeld over een termijn dat eiser niet meer in Nederland mocht terugkomen.
5.1.
Tijdens de zitting heeft de minister verwezen naar het arrest F.S. [3] , waaruit volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Tot slot is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat die het verwijderingsbesluit heeft genomen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Eiser heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat hij het centrum van zijn leven naar buiten Nederland heeft verplaatst. Het is aan hem is om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig leven heeft opgebouwd. Het enkele fysieke vertrek volstaat immers niet. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit nog steeds geldt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat aan eiser op 18 januari 2026 het verwijderingsbesluit is uitgereikt, met bijstand van een beëdigde telefonische tolk, die de inhoud van het besluit aan eiser kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser de inhoud van dit besluit niet heeft begrepen en is van oordeel dat het besluit op de juiste wijze aan eiser kenbaar is gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser worden opgelegd?
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.2.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is met het besluit van 11 december 2025 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser verblijft desondanks in Nederland, terwijl de vertrektermijn van een maand is verstreken. Eisers betoog – dat deze grond niet kan worden tegengeworpen, omdat dit besluit zijn rechtskracht inmiddels heeft verloren – leidt niet tot een ander oordeel. Zoals onder 5.2 overwogen, heeft eiser geen gevolg gegeven aan het verwijderingsbesluit geldt dit besluit nog steeds.
Ook is grond r feitelijk juist, omdat eiser niet op een adres staat ingeschreven in de BRP. [4] Dat eiser, zoals hij stelt, gebruik kan maken van de hulp van Stichting Barka [5] , maakt dit niet anders. Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het risico dat eiser onderduikt en niet traceerbaar is, groot is.
6.3.
Gronden b en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. [6] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat voor een lichter middel gekozen had moeten worden, nu er onvoldoende gronden van de maatregel overblijven om als feitelijk juist en als voldoende zwaarwegend te gelden. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eerder een lichter middel is beproefd. Het zwaarste middel – het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel – om een vlucht te verzekeren, is onnodig en staat dan ook niet in redelijke verhouding tot de persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Zoals onder 6.3 overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel van bewaring kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
8. Eiser voert aan dat de minister een inspanningsverplichting heeft en al tijdens de strafrechtelijke detentie relevante uitzettingshandelingen diende te verrichten. Nu de minister dit heeft nagelaten, werkt hij onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. [7] Uit het dossier blijkt dat op 2 juli 2026 het traject tot het verkrijgen van een laissez-passer is opgestart en dat diezelfde dag een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Dit was op de zesde dag van de inbewaringstelling. Dit zijn daadwerkelijke handelingen gericht op uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
8.2.
Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister vóór de inbewaringstelling, tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser, inspanningen had moeten verrichten, gericht op terugkeer. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat vreemdelingen direct na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden, omdat hun vertrek aansluitend op de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is. Van een dergelijke situatie is in het geval van eiser echter geen sprake, omdat eiser niet aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie in bewaring is gesteld. Eiser heeft namelijk van 17 april 2026 tot en met 24 april 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten [8] en is op 27 juni 2026 in bewaring gesteld. Omdat uitzetting naar Polen tijdens de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke detentie kennelijk nog niet in beeld was, en eiser ook niet aansluitend in bewaring is gesteld, was de minister niet gehouden om al tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser handelingen te verrichten gericht op eisers vertrek. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het arrest Aroja van toepassing?
9. Eiser voert aan dat de maximale duur voor inbewaringstelling, zoals bedoeld in het arrest Aroja [9] , is verstreken.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het arrest Aroja betrekking heeft op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het geval van eiser is daarvan geen sprake, aangezien hij een Unieburger is. Het arrest Aroja in het onderhavige geval dan ook niet van toepassing.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [10]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.
3.Hof van Justitie 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.
4.Basisregistratie Personen.
5.Stichting Barka is een Poolse organisatie die EU-burgers ondersteunt op het gebied van wonen, werken en welzijn.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 10.
8.Dit volgt uit het uittreksel Justitiële Documentatie.
9.HvJEU 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
10.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.