ECLI:NL:RBDHA:2026:20061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.7851
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 12 mei 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 9 december 2024 door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser ging in beroep, waarop de rechtbank op 18 maart 2025 het besluit vernietigde. De minister wees de aanvraag vervolgens opnieuw af op 4 februari 2026. Eiser stelde opnieuw beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 7 mei 2026 was eiser afwezig. Op 4 juni 2026 meldde de minister dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heropende het onderzoek en vroeg de gemachtigde van eiser om een schriftelijke reactie. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en het adres niet te kennen.

De rechtbank oordeelde dat het vertrek met onbekende bestemming impliceert dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en daardoor geen procesbelang meer heeft. Hoewel de gemachtigde mogelijk in de toekomst weer contact kan krijgen, is dat onvoldoende om het beroep ontvankelijk te verklaren. Eiser staat vrij om in de toekomst een nieuwe asielaanvraag in te dienen.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en hoefde de minister de proceskosten van eiser niet te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier I.S. Pruijn op 10 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 mei 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 9 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is in beroep gegaan tegen dit besluit. De rechtbank heeft dit beroep op 18 maart 2025 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. [1] De minister heeft vervolgens met het bestreden besluit van 4 februari 2026 de asielaanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de behandeling op zitting gesloten.
2.3.
Op 4 juni 2026 heeft de rechtbank een brief van de minister ontvangen met de melding dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 30 juni 2026 heropend en de gemachtigde van eiser verzocht om een schriftelijke reactie. Gemachtigde van eiser heeft op 6 juli 2026 een reactie gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 7 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog procesbelang?
3. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft. [2]
4. De minister heeft in zijn bericht van 4 juni 2026 laten weten dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming vertrokken is gemeld. De rechtbank heeft op 30 juni 2026 de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft op 6 juli 2026 laten weten dat zij momenteel niet bekend is met het adres van eiser, maar niet uitsluit dat dit in de toekomst wel weer zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende grond bestaat voor de conclusie dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken en niet is gesteld of gebleken dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dat eiser mogelijk in de toekomst wel belang heeft bij de beoordeling van het beroep, doet daar niet aan af. Bovendien staat het eiser vrij om in de toekomst een nieuwe asielaanvraag in te dienen, en indien nodig, beroep in te stellen tegen de beslissing op die aanvraag.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag (zp. Utrecht) 18 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4505.
2.ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.2-2.7.