ECLI:NL:RBDHA:2026:20061
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 12 mei 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 9 december 2024 door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser ging in beroep, waarop de rechtbank op 18 maart 2025 het besluit vernietigde. De minister wees de aanvraag vervolgens opnieuw af op 4 februari 2026. Eiser stelde opnieuw beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 7 mei 2026 was eiser afwezig. Op 4 juni 2026 meldde de minister dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank heropende het onderzoek en vroeg de gemachtigde van eiser om een schriftelijke reactie. De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en het adres niet te kennen.
De rechtbank oordeelde dat het vertrek met onbekende bestemming impliceert dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en daardoor geen procesbelang meer heeft. Hoewel de gemachtigde mogelijk in de toekomst weer contact kan krijgen, is dat onvoldoende om het beroep ontvankelijk te verklaren. Eiser staat vrij om in de toekomst een nieuwe asielaanvraag in te dienen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en hoefde de minister de proceskosten van eiser niet te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier I.S. Pruijn op 10 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.