ECLI:NL:RBDHA:2026:20072

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL24.6209
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende afhankelijkheid

Eiser, een meerderjarige Russische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder, de referente, in Nederland te verblijven. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat er geen beschermenswaardig familieleven bestond, aangezien eiser geen bijkomende elementen van afhankelijkheid kon aantonen.

De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat verweerder een brede beoordeling had gemaakt, waarbij niet alleen de medische situatie van eiser, maar ook financiële afhankelijkheid, banden met Nederland en Rusland en andere omstandigheden waren betrokken. Hoewel eiser psychische klachten heeft en zorg nodig heeft, was de onderbouwing van de afhankelijkheid onvoldoende, mede doordat relevante stellingen van referente niet waren onderbouwd en zij niet ter zitting was verschenen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijke bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6209

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Houben).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] (referente)” op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
In randnummer 2 e.v. staat het procesverloop van deze zaak beschreven. In randnummers 3 e.v. staan de relevante feiten en omstandigheden beschreven die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf randnummer 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Referente heeft een aanvraag ingediend voor een mvv ten behoeve van eiser, haar zoon, voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid”. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 mei 2023 afgewezen. Op 27 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard. Op 31 oktober 2023 heeft verweerder dat besluit weer ingetrokken. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere gronden van beroep ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Russische nationaliteit. Zijn moeder, referente, heeft in 2005 rechtmatig verblijf gekregen voor verblijf bij haar toenmalige partner in Nederland. Referente heeft zich daarna in Nederland gevestigd en eiser, die toen nog minderjarig was, is in Rusland achtergebleven bij zijn grootmoeder. Referente heeft in de daaropvolgende jaren veel heen- en weer gereisd tussen Nederland en Rusland. Eisers grootmoeder is op 11 november 2019 overleden. Op 16 december 2022 heeft referente onderhavige aanvraag ingediend ten behoeve van eiser.
3.1.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat er geen beschermenswaardig familieleven bestaat tussen eiser en referente omdat eiser meerderjarig is en er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM valt eveneens in het nadeel van eiser uit, waardoor artikel 8 van Pro het EVRM niet aan de afwijzing van de aanvraag in de weg staat.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hij kan zich vanwege zijn psychische klachten niet zonder zijn moeder staande houden en heeft continue zorg nodig van zijn moeder. Hij is exclusief van haar afhankelijk.
4.1.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, volgt dat familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen kan bestaan, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Verweerder moet in dit kader een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in die beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst, voor zover die zijn aangevoerd, moeten in die beoordeling een rol spelen. Verder kan de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Verweerder mag daarbij een zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen blijken. In dit kader zijn de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 december 2024 in de zaak Martinez Alvarado tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021) en de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2748) relevant. Uit deze rechtspraak volgt dat ook wanneer de medische problemen op zichzelf onvoldoende ernstig zijn voor de conclusie dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, die in samenhang bezien met andere feiten en omstandigheden wel tot die conclusie kunnen leiden.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de besluitvorming blijkt dat verweerder een brede beoordeling, zoals hiervoor bedoeld, heeft gemaakt. Naast de medische situatie van eiser heeft verweerder immers ook de samenwoning, de financiële afhankelijkheid, de banden met het land van herkomst en met Nederland, alsmede andere feiten en omstandigheden betrokken. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de overgelegde medische stukken wordt verworpen, nu zowel uit het afwijzende besluit van 12 mei 2023 als uit het bestreden besluit blijkt dat de medische stukken inhoudelijk zijn beoordeeld en betrokken.
4.3.
Verder blijkt uit het dossier dat eiser sinds zijn twintigste levensjaar kampt met een psychische aandoening die geleidelijk erger wordt. Eiser heeft in dit kader een brief van referente van 2 november 2022 overgelegd alsook een verklaring van arts-psychiater [naam 2] van 29 september 2022 en een ontslagbrief uit de betreffende kliniek van 6 oktober 2022. In de laatste brief staat vermeld dat eiser continu de zorg en hulp van referente nodig heeft. Daarnaast is niet in geschil dat referente sinds haar komst naar Nederland vaak naar Rusland is gereisd en dat eisers grootmoeder op de momenten dat referente in Nederland was, voor eiser heeft gezorgd. Deze omstandigheden tezamen genomen vormen aanwijzingen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en eiser.
4.4.
Het voorgaande is echter onvoldoende om enkel op basis daarvan aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Veel van de stellingen van referente zijn namelijk niet onderbouwd en zijn door verweerder weersproken. Als gevolg hiervan en gelet op het feit dat referente niet ter zitting is verschenen om een haar stellingen nader toe te lichten en kracht bij te zetten en om vragen van de rechtbank te beantwoorden, is teveel onduidelijk en niet onderbouwd gebleven in deze zaak om het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.5.
Referente heeft bijvoorbeeld gesteld dat eiser in het verleden verschillende keren (zeker tien keer) met haar meereisde als ze naar Nederland ging, maar die stelling heeft zij niet onderbouwd met documenten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overgelegde visumstempels die deze stelling zouden moeten onderbouwen niets bewijzen omdat die afkomstig zijn uit het paspoort van referente en niet uit die van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet op zijn weg ligt om gegevens over de aan eiser verleende visa op te vragen, zeker omdat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, een dergelijk onderzoek niet zo gemakkelijk is en de gegevens via een andere instantie (namelijk het ministerie van Buitenlandse Zaken) dienen te worden verkregen. Bovendien valt niet in te zien waarom eiser, op wie de bewijslast rust, die onderbouwing niet heeft kunnen overleggen.
4.6.
Ook is door referente onvoldoende toegelicht wie de verzorgende rol, die eisers grootmoeder kennelijk jarenlang heeft vervuld (echt concreet is deze rol overigens niet gemaakt), na haar dood heeft overgenomen en in welke vorm dat is gebeurd. Ook is niet duidelijk waar referente op dit moment verblijft, er is slechts gesteld dat zij in het buitenland verblijft. Het had op de weg van referente gelegen om op deze punten opheldering te geven en nader toe te lichten hoe zij voor eiser zorgdraagt sinds het overlijden van eisers grootmoeder. Zij had daarbij dan ook kunnen toelichten hoe vaak zij in de afgelopen periode in Nederland was en wie voor eiser zorgde als zij niet in Rusland was. De overgelegde brief van psychiater [naam 3] van 28 februari 2024 is in dit kader onvoldoende, omdat hieruit alleen blijkt dat de klachten van eiser verergerden op het moment dat referente op 7 november 2024 Rusland verliet, maar niet wie eiser toen verzorgde.
Verder is ook niet duidelijk geworden hoe referente zorg verleende aan eiser voordat eisers grootmoeder overleed. Uit de verklaringen van referente is immers af te leiden dat zij voor haar werk vaak naar Rusland terugvloog en het had op de weg van referente gelegen om uit te leggen in hoeverre zij de afgelopen jaren in Rusland was om voor eiser te zorgen en hoe zij dat dan combineerde met haar werk.
4.7.
Gelet op het voorgaande en omdat verweerder zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de afgelopen jaren zodanig afhankelijk van haar is geweest dat sprake is bijkomende elementen van afhankelijkheid en eveneens is gebleken dat derden (zoals eisers grootmoeder en medische instellingen in Rusland) eiser in de afgelopen jaren zorg hebben verleend aan eiser, heeft verweerder terecht aangenomen dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en referente.
4.8.
Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 volgt dat verweerder geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM hoeft te verrichten als geen sprake is van familieleven in de zin van dat artikel. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of de belangenafweging in het bestreden besluit deugdelijk heeft plaatsgevonden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de ten behoeve van eiser gedane aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.