ECLI:NL:RBDHA:2026:20072
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende afhankelijkheid
Eiser, een meerderjarige Russische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder, de referente, in Nederland te verblijven. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat er geen beschermenswaardig familieleven bestond, aangezien eiser geen bijkomende elementen van afhankelijkheid kon aantonen.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat verweerder een brede beoordeling had gemaakt, waarbij niet alleen de medische situatie van eiser, maar ook financiële afhankelijkheid, banden met Nederland en Rusland en andere omstandigheden waren betrokken. Hoewel eiser psychische klachten heeft en zorg nodig heeft, was de onderbouwing van de afhankelijkheid onvoldoende, mede doordat relevante stellingen van referente niet waren onderbouwd en zij niet ter zitting was verschenen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijke bijkomende elementen van afhankelijkheid.