ECLI:NL:RBDHA:2026:20099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/3024
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overbrenging uit Afghanistan op grond van Tolkenregeling

Eiser heeft verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland op grond van de Tolkenregeling, omdat hij van 2007 tot 2010 werkzaamheden verrichtte voor Global Peace Logistics Services ten behoeve van de Nederlandse militaire missie. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet als lokale medewerker kan worden aangemerkt en geen actuele bedreiging aannemelijk heeft gemaakt.

Eiser betoogt dat het criterium van extra zichtbaarheid onredelijk streng wordt uitgelegd en dat hij wel degelijk gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden. Verweerder handhaaft zijn standpunt en de rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het bestreden besluit niet tijdig was ontvangen door eiser.

De rechtbank overweegt dat de Tolkenregeling buitenwettelijk begunstigend beleid betreft met ruime beleidsruimte voor het bestuursorgaan. Eiser voldoet niet aan de criteria omdat zijn werkzaamheden niet substantieel waren en hij niet in een positie was waarin hij extra zichtbaar was. Er is ook geen actuele bedreiging als gevolg van zijn werkzaamheden aannemelijk gemaakt.

Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. de Kock-Molendijk op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot overbrenging wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan de Tolkenregeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3024

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [land], eiser

(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.S. Jaasma).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot overbrenging uit Afghanistan.
1.1
Eiser heeft verweerder verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland, op grond van de zogenoemde Tolkenregeling [1] .
1.2
Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 13 maart 2024 afgewezen.
1.3
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.4
Eiser heeft op 1 mei 2025 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de gronden van het beroep aangevuld.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaken SGR 25/3026, SGR 25/5975 en SGR 25/6133. De gemachtigde van eiser heeft daags tevoren gemeld dat hij niet ter zitting zal verschijnen en dat zijn cliënt ook niet telefonisch zal deelnemen. Verweerder heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. [naam], ambtenaar werkzaam bij het ministerie van Defensie.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verweerder per e-mail van 15 oktober 2023 verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland. Eiser stelt dat hij van 2007 tot en met 2010 werkzaam is geweest voor het bedrijf ‘Global Peace Logistics Services’ (hierna: GPLS) en zich in die functie bezighield met schoonmaakwerk en assistent chauffeursdiensten met een vuilniswagen ten behoeve van de Nederlandse militaire missie in Afghanistan in [kampnaam] in [plaats], Uruzghan. Eiser stelt vanwege deze werkzaamheden onder de definitie van ‘lokale medewerker’ en ook de overige toepassingsvoorwaarden van de Tolkenregeling te vallen. Eiser stelt gevaar te lopen in Afghanistan vanwege zijn eerdere werkzaamheden voor GLPS en wenst overgebracht te worden naar Nederland.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder is bij de afwijzing van het verzoek gebleven, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de Tolkenregeling. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet als ‘lokale medewerker’ in de zin van de Tolkenregeling kan worden aangemerkt. Ook al zou eiser als lokale medewerker kunnen worden aangemerkt, dan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn functie voor GLPS door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in Afghanistan in positie werd gebracht, waarin hij extra zichtbaar was en om die redenen vereenzelvigd wordt met de voormalige Nederlandse missie in Afghanistan. Ten slotte is ook niet gebleken van een actuele bedreiging als causaal gevolg van werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse missie.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek en voert daartoe ten eerste aan dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten om het verzoek van eiser ruimhartig te beoordelen.
4.1
Eiser vindt dat het criterium van extra zichtbaarheid en vereenzelviging van personen met de Nederlandse missie onredelijk streng wordt uitgelegd. Uit de Tolkenregeling volgt namelijk niet dat de aanvrager fysiek naast Nederlandse militairen aanwezig moet zijn geweest, maar dat deze als ondersteunend aan de Nederlandse missie herkend wordt.
4.2
Verweerder miskent in zijn motivering van het bestreden besluit ook dat eiser door zijn werk in en om het kamp van de Nederlandse missie wel degelijk actief door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in positie is gebracht, waardoor hij extra zichtbaar was in de regio bij de lokale bevolking en de Taliban en geïdentificeerd kon worden als iemand die voor de Nederlanders werkte. De functie van eiser is een vergelijkbare met die van tolken en andere beveiligingsmedewerkers die wel voor overbrenging in aanmerking zijn gekomen.
4.3
Tot slot heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een actuele, directe en persoonlijke bedreiging van eiser vanwege zijn werk voor GLPS. Eiser heeft verklaard dat er invallen in zijn huis hebben plaatsgevonden. De Taliban ondervraagt zijn familie en geeft aan op zoek te zijn naar hem. De Taliban heeft specifieke interesse getoond in het verleden van eiser en zijn betrokkenheid bij buitenlandse militaire operaties. Daarbij is bekend dat de Taliban recent toegang gekregen heeft tot lijsten met namen van personen die voor westerse troepen hebben gewerkt. Daarmee is het actuele, directe en persoonlijke gevaar voor eiser aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de lastige bewijspositie van eiser miskend en legt de bewijslast onredelijk hoog. Eiser is niet in staat om schriftelijk bewijs van bedreigingen en aanvallen te vergaren. Bovendien vervolgt en bestraft de Taliban ook zonder dergelijk bewijs en past geweld en intimidatie toe, zonder officiële waarschuwingen vooraf.
5. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ontvankelijkheid beroep
7. Eiser heeft naar voren gebracht dat beroep is ingesteld na het verstrijken van de beroepstermijn, omdat het besluit van 19 december 2024 pas door (de gemachtigde van) eiser is ontvangen op 1 mei 2025. De rechtbank is van oordeel dat eiser het vermoeden van tijdige ontvangst van het bestreden besluit heeft ontzenuwd. In het procesdossier is namelijk de
track and tracevan de verzending via PostNL aanwezig. Daaruit blijkt dat het bestreden besluit na verzending per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser retour afzender is gegaan naar verweerder, die deze blijkens de
track and traceop 21 januari 2025 retour heeft gekregen. Op 1 mei 2025 heeft verweerder vervolgens per e-mail contact opgenomen met de gemachtigde van eiser, waarbij het bestreden besluit wordt toegezonden en de ambtenaar van verweerder ook erkent dat de retourzending van dit poststuk pas kort daarvoor bekend is geworden bij haar. Gelet op deze gang van zaken en het ontbreken van een afhaalbericht van PostNL in het procesdossier, is aannemelijk dat eiser het bestreden besluit niet tijdig heeft ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft het beroep vervolgens ingesteld op dezelfde dag dat verweerder het bestreden besluit per e-mail heeft toegezonden. De rechtbank acht de overschrijding van de beroepstermijn in dit geval verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is ontvankelijk.
Tolkenregeling
8. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en (het toenmalige) Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Uit jurisprudentie [2] van de Afdeling volgt dat de betrokken bestuursorganen daarmee de publieke taak aan zich hebben getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die over toepassing van de Tolkenregeling worden genomen volgens deze jurisprudentie wel als appellabele besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat voor dit overheidshandelen, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid [3] . Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst de toepassing van dergelijk beleid dan ook terughoudend.
8.1
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van de verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument [4] geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Uit recente uitspraken van de Afdeling [5] volgt dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor persoonlijk gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep).
8.2
Het is aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zulke werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt [6] . Uit voornoemde jurisprudentie volgt dat het bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ gaat om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Hierbij moet worden gedacht aan tolken, genderspecialisten, persoonlijk bewakers of persoonlijke chauffeurs [7] . Bij personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, neemt het bevoegde bestuursorgaan eerder aan dat zij als gevolg daarvan gevaar lopen. Andere personen moeten aannemelijk maken dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan, dat zij gevaar lopen en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden [8] .
Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?
9. De rechtbank is van oordeel dat mocht concluderen dat eiser niet voor overbrenging in aanmerking komt op grond van de Tolkenregeling, en zal dit oordeel hierna uitleggen.
9.1
Omdat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk en begunstigend beleid gaat, hebben de betrokken bestuursorganen veel beleidsruimte, ook in de afbakening van de groep van begunstigden. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt namelijk niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben.
9.2
Verweerder heeft toegelicht dat, om te worden aangemerkt als lokale medewerker die ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden heeft verricht, is vereist dat de betrokkene als het ware opgenomen is geweest in de werkzaamheden van de militaire missie. Verweerder mocht tegenwerpen dat eiser met de werkzaamheden voor GPLS niet als het ware opgenomen geweest is in werkzaamheden van de militaire missie. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiser naar eigen zeggen niet anders gedaan heeft dan schoonmaakwerk en werkzaamheden op de vuilniswagen voor GPLS. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de betrokkene, om te kunnen worden aangemerkt als lokale medewerker, een zekere bijdrage moet hebben geleverd aan de militaire doelstelling. Verweerder mocht tegenwerpen dat daar in het geval van eiser geen sprake van was.
9.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende gemotiveerd dat eiser niet kan worden aangemerkt als een lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling. Dat zijn werk in algemene zin ten goede is gekomen aan de Nederlandse militaire missie, is niet voldoende. De omstandigheid dat eiser werkzaam was in en nabij het kamp, maakt deze conclusie ook niet anders.
9.4
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser niet kan worden aangemerkt als lokale medewerker als bedoeld in de Tolkenregeling, heeft verweerder alleen al op grond daarvan het verzoek om overbrenging mogen afwijzen. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid en de begrenzing van de groep van begunstigden op wie het van toepassing is, in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren.
9.5
De overige beroepsgronden behoeven, gelet op de cumulatieve vereisten die de Tolkenregeling stelt, geen nadere bespreking.

Conclusies en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft het verzoek van eiser op goede gronden afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven met een stempel vermeld.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document:
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869.
4.Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document:
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869 en ECLI:NL:RVS:2026:1945.
6.ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.3 en 5.4.
7.ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4.
8.ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4 en 5.2.5.