ECLI:NL:RBDHA:2026:20103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.24916 en NL25.24917
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 29 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen Iraans echtpaar wegens motiveringsgebreken en gewijzigde situatie

Eisers, een Iraans echtpaar, vroegen asiel aan in Nederland na een inval in hun woning door de Iraanse inlichtingendienst, vermoedelijk vanwege het werk van hun zoon bij een in Londen gevestigde zender die door Iran als terroristisch wordt bestempeld. De minister wees de aanvragen af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat de afwijzing niet kan blijven bestaan omdat de bestreden besluiten motiveringsgebreken vertonen, met name ten aanzien van het asielmotief over de problemen vanwege het werk van de zoon. De rechtbank acht de verklaringen van eisers gedetailleerd en consistent en betrekt diverse nieuwsberichten en rapporten die de risico’s voor familieleden van medewerkers van de zender bevestigen.

Daarnaast is de situatie in Iran sinds de besluiten drastisch gewijzigd door oorlog en onrust, wat een nieuwe beoordeling noodzakelijk maakt. Ook het asielmotief van afwending van de islam wordt niet voldoende gemotiveerd afgewezen. De rechtbank vernietigt de besluiten en beveelt de minister binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de proceskosten aan eisers worden toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en beveelt een nieuwe beoordeling binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.24916 en NL25.24917

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser

[eiseres], V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres
samen eisers
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Imani).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers bij besluiten van 28 mei 2025. Eisers zijn het met deze besluiten niet eens en voeren diverse beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. In de eerste plaats bevatten de bestreden besluiten diverse motiveringsgebreken. In de tweede plaats is de situatie in Iran sinds de bestreden besluiten drastisch gewijzigd en moet ook om die reden een nieuwe beoordeling van de asielaanvragen plaatsvinden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 25 november 2022 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij hebben de Iraanse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Verweerder heeft met de besluiten van 28 mei 2025 (de bestreden besluiten) deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, F. Farjadnia als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Op 27 augustus 2022 zijn eisers met een Nederlands visum naar Nederland zijn gereisd voor familiebezoek met de intentie om tijdig terug te keren naar Iran. In Nederland hebben zij vernomen dat tijdens hun afwezigheid op 19 november 2022 een inval in hun woning heeft plaatsgevonden. De Ettelaat (de Iraanse inlichtingendienst) heeft daarbij een aantal elektronische apparaten en boeken meegenomen. De zoon van eisers, [naam 1] , werkt voor de zender [Organisatie] in Londen en wordt vanwege zijn werk bedreigd door de Iraanse autoriteiten. De zender is door de Iraanse autoriteiten bestempeld als terroristische organisatie. Personen die werkzaam zijn bij [Organisatie] en hun familieleden lopen gevaar omdat zij worden gezien als vijanden van het geloof en het bewind. Daarop staat in Iran de doodstraf. Eisers vermoeden dat de inval in hun huis te maken heeft met de werkzaamheden van hun zoon. Eisers hebben na het nieuws van de inval in hun woning besloten om in Nederland asiel aan te vragen. Eisers vrezen als familie van een medewerker van [Organisatie] bij terugkeer in Iran voor hun leven omdat [Organisatie] is aangemerkt als een terroristische organisatie. Bovendien hebben zij zich afgewend van de islam en riskeren ze ook daardoor problemen bij terugkeer naar Iran.
De bestreden besluiten
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege het werk van de zoon van eisers;
3. afwending van de islam.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst en het asielmotief afwending van de islam geloofwaardig zijn. Het asielmotief over de problemen vanwege het werk van de zoon van eisers heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder stelt dat eisers geen objectieve documenten hebben overgelegd die het asielmotief volledig onderbouwen en dat de verklaringen van eisers geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarnaast hebben eisers niet zo spoedig mogelijk hun asielaanvraag ingediend en hebben zij daarvoor geen goede verklaring gegeven.
4.2.
Op grond van de geloofwaardig bevonden relevante elementen stelt verweerder zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer in Iran een gegronde vrees voor vervolging hebben, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarom komen eisers niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) [1] .Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Problemen wegens werk zoon bij [Organisatie] en inval in het huis
5. In de voornemens heeft verweerder overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 1] hun zoon is en dat [naam 1] bij [Organisatie] werkt. In de bestreden besluiten wordt dit niet langer aan eisers tegengeworpen. Daarmee staat tussen partijen dus vast dat [naam 1] de zoon van eisers is en dat [naam 1] werkzaam is bij [Organisatie] .
6. Verweerder handhaaft in de bestreden besluiten het standpunt dat de problemen van eisers als gevolg van het werk van hun zoon [naam 1] ongeloofwaardig zijn. De verklaringen over de inval in hun huis zijn volgens verweerder uitsluitend gebaseerd op verklaringen van derden en op eigen vermoedens. Bovendien zijn de afgelegde verklaringen summier en tegenstrijdig. Volgens verweerder hebben eisers ook niet op andere wijze aangetoond dat zij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staan. De overgelegde documenten (waaronder de brieven van [naam 1] en diverse artikelen en nieuwsberichten) onderbouwen het asielmotief niet. Dat uit nieuwsberichten volgt dat medewerkers van [Organisatie] en hun familieleden in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten betekent niet dat dit ook voor eisers geldt, aldus verweerder.
7. Eisers hebben hiertegen ingebracht dat uit de overgelegde artikelen wel degelijk blijkt dat [naam 1] problemen ondervindt vanwege zijn werkzaamheden voor [Organisatie] en dat dit ook ernstige risico’s voor eisers met zich mee brengt. De verklaringen over de huiszoeking zijn gedetailleerd, persoonlijk en consistent en zijn ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De voornaamste klacht van eisers is dat verweerder de afgelegde verklaringen en de overgelegde documenten niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
8. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Dreiging medewerkers [Organisatie] en hun familieleden
9. In het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 is over journalisten van [Organisatie] het volgende opgenomen:
“Sinds de anti-overheidsprotesten naar aanleiding van de dood van [naam 4][toevoeging: op 16 september 2022]
is de druk op journalisten toegenomen. In de ogen van de Iraanse autoriteiten waren het namelijk de rapportages over de dood van [naam 4] die aanleiding gaven tot massale protesten. […] Journalisten, oppositionele media en kritische stemmen die vanuit het buitenland opereren, staan zwaar onder druk. Soms worden hun familieleden die zich nog in Iran bevinden lastiggevallen of bedreigd. Maar in andere gevallen schuwt Iran extremere maatregelen niet; zo worden familieleden van activisten die zich in het buitenland bevinden soms tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. De Iraanse autoriteiten merkten bijvoorbeeld het online nieuwsplatform [Organisatie] aan als een terroristische organisatie. Vanwege deze druk staan politieke activisten en media-activisten onder extra toezicht, vooral degenen die met massamedia werken zoals medewerkers van BBC Persia en [Organisatie] . Vanwege gestaafde doodsbedreigingen aan het adres van [Organisatie] in Londen ging het kantoor tijdelijk dicht. Dit mediakanaal berichtte in februari 2023 dat zij het kantoor naar Washington hadden verplaatst.”
10. In het door eisers overgelegde artikel van de website van de National Union of Journalists (NUJ) van 25 juni 2025 veroordeelt de NUJ de arrestatie en detentie van familieleden van een journalist van [Organisatie] door de Iraanse Revolutionaire Garde in Teheran. De NUJ stelt ook bekend te zijn met andere voorbeelden waar familieleden van journalisten van [Organisatie] zijn bedreigd en aangespoord om het ontslag van de betreffende journalist te eisen of bevorderen.
11. In het internetartikel van Doughty Street Chambers van 5 augustus 2025 is opgenomen dat 45 journalisten en meer dan 300 van hun familieleden doodsbedreigingen krijgen van het Iraanse Ministerie van Inlichtingen.
12. Het artikel van de Daily Mail van 5 april 2024 (
“Stabbings, kidnaps and terror campaigns…”) bevat ook een aantal voor deze zaak relevante gegevens. Hieruit blijkt onder meer de ernst en de schaal van de bedreigingen, aanslagen en ontvoeringen waaraan medewerkers van [Organisatie] en hun familieleden blootstaan. Zo bespreekt het artikel van een geplande moordaanslag van de Revolutionaire Garde op de twee voorname presentatoren van de organisatie. Verder staat in het artikel:
“Scotland Yard told reporters that Iran, and its proxies, had mounted at least 15 credible plots to kill dissidents or journalists on UK soil since 2022.” Ook wordt melding gemaakt van een journalist wiens broer werd ontvoerd. In het artikel staat verder dat:
“extended families have been sent death threats and been subject of multiple kidnap attemps.
13. Uit de hiervoor besproken bronnen volgt dat medewerkers van [Organisatie] en hun familieleden geregeld blootstaan aan ernstige bedreigingen en gewelddadigheden van het Iraanse regime. Dit vormt een belangrijke ondersteuning van de stelling van eisers dat zij wegens het werk van hun zoon in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staan en worden bedreigd. Verweerder had deze bronnen niet terzijde mogen schuiven met de enkele tegenwerping dat eisers niet hebben aangetoond dat [naam 1] zelf ook daadwerkelijk bedreigd wordt.
- Verklaringen van eisers over de inval
14. Eisers hebben over de inval in hun huis het volgende verklaard. [naam 3] , de andere zoon van eisers, is op 19 november 2022 gebeld door een vriend van de familie, [naam 2] , die tijdelijk in het huis van eisers verbleef. [naam 2] vertelde dat de veiligheidsdiensten het huis van eisers waren binnengevallen waarbij diverse spullen zijn weggenomen.
15. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn conclusie dat de verklaringen van eisers summier en tegenstrijdig zijn. De verklaringen van eisers zijn volgens de rechtbank gedetailleerd en op alle belangrijke punten met elkaar in overeenstemming. Het klopt dat eisers niet veel informatie over de inval in hun huis hebben kunnen achterhalen maar daarvoor hebben zij een begrijpelijke en legitieme verklaring. De zoon van eisers heeft geprobeerd contact te leggen met [naam 2] maar dat is niet gelukt. Ook heeft eiser contact gezocht met de ouders van [naam 2] , maar zij hebben hem niet meer informatie over de inval gegeven omdat bij [naam 2] en zijn familie grote angst bestond. Zij vreesden dat zij problemen zouden ondervinden met de Iraanse autoriteiten als zij meer informatie zouden verstrekken. De rechtbank volgt verweerder dus niet in zijn overweging dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om aan meer informatie over de inval te komen.
16. Verweerder heeft eisers daarnaast een aantal tegenstrijdigheden tegengeworpen. Zo heeft eiseres verklaard dat zij enkel – via hun zoon [naam 3] die in Nederland woont – contact heeft gehad met [naam 2] , terwijl eiser heeft verklaard dat hij ook een keer contact heeft gehad met de ouders van [naam 2] . Dit is echter geen tegenstrijdigheid maar een onvolledigheid in de verklaring van eiseres. Die onvolledigheid is in de correcties en aanvullingen rechtgezet. Het is een niet onbegrijpelijke omissie en zeker geen wezenlijk punt in het asielrelaas en het maakt dus niet dat de verklaringen van eisers daardoor minder geloofwaardig zijn. Ook de tegenwerping dat eiseres enerzijds heeft verklaard dat zij over de inval is geïnformeerd door een telefoontje van haar zoon [naam 3] , terwijl zij later verklaarde dat [naam 3] langskwam bij het huis van eisers zus waar eisers op dat moment verbleven, acht de rechtbank niet bepalend voor de geloofwaardigheid van de verklaringen.
17. In de bestreden besluiten wordt verder nog aan eiser tegengeworpen dat [naam 2] contact heeft opgenomen met hun zoon [naam 3] en niet met eiser rechtstreeks. Volgens verweerder had het op de weg van eisers gelegen om rechtstreeks contact op te nemen met [naam 2] (de directe bron). De rechtbank volgt verweerder hier niet in. Eiser heeft uitgelegd waarom het contact met [naam 2] via [naam 3] verliep, namelijk omdat zij jeugdvrienden zijn. Eisers zelf hadden het telefoonnummer [naam 2] ook niet en daarom belde [naam 2] ook in eerste instantie [naam 3] en verliep het verdere contact met [naam 2] ook via [naam 3] . Dat dit door verweerder niet wordt geloofd omdat eiseres [naam 2] filmpjes zou hebben gestuurd (p. 17 nader gehoor) berust volgens eisers op een verschrijving. De filmpjes werden aan hun zoon [naam 1] gestuurd en dat is ook consistent met wat eiser in zijn gehoor (p. 12 nader gehoor) heeft verklaard. Dit is door verweerder verder niet meer betwist en komt de rechtbank ook veel aannemelijker voor.
18. Verder valt het de rechtbank op dat de overgelegde documenten en nieuwsberichten door verweerder niet kenbaar bij de geloofwaardigheidsbeoordeling zijn betrokken maar wel steun bieden voor de geloofwaardigheid van de door eisers afgelegde verklaring. Zo bevat het artikel van de Daily Mail (
Stabbings, kidnaps and terror campaigns…) een aantal voor deze zaak relevante gegevens:
- Het krantenartikel bevat citaten die een verklaring bieden voor de door verweerder opgeworpen vraag waarom op juist op 19 november 2022 (en niet eerder) een inval in het huis van eisers plaatsvond. In het artikel staat: “
Things escalated in 2022 when [Organisatie] began reporting on the death of 22-year-old [naam 4] .[toevoeging: 16 september 2022]
There followed three months of anti-government protests. While state broadcasters studiously ignored them, the UK-based channel[toevoeging: bedoeld wordt [Organisatie] ]
offered wall-to-wall coverage of every demonstration along with ensuing crackdown by Iran’s brutal Revolutionary guard. […] So that November the Iranian Governement decided to dial up its attacks on the television channel.
- Een ander citaat biedt steun voor de verklaring van eiser dat hij in 2020 door de inlichtingendiensten is opgeroepen naar aanleiding van berichtgeving door [Organisatie] over de gestegen brandstofprijzen: “
In 2019, [Organisatie] angered the regime by reporting on protests caused by rising fuel prices. Over the following months, Iran-based relatives of at least 15 members of its staff were summoned to meetings by the intelligence services and warned that their families would face ‘legal consequences’ if they continued working for the network.” Volgens eisers verklaring werd hij in 2020 onder druk gezet om [naam 1] te overtuigen niet voor de vijanden van de republiek te werken maar met de inlichtingendiensten samen te werken. Dit is een geloofwaardige verklaring die het aannemelijk maakt dat [naam 1] en zijn ouders (al geruime tijd) in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan.
Verweerder heeft deze documenten onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken.
19. Aan eiser is tot slot tegengeworpen dat – zeer toevallig – enkele dagen vóór het geplande vertrek uit Nederland (en verstrijken van de geldigheidsdatum van het visum) een inval in hun huis zou hebben plaatsgevonden die de aanleiding vormde om asiel aan te vragen. Dit is een element dat bij eerste bestudering van de zaak inderdaad opvalt en scepsis kan wekken over de intenties van eisers en de geloofwaardigheid van hun relaas. Maar in het asielrelaas van eisers is hiervoor een logische en overtuigende verklaring gegeven: precies in de periode dat eisers in Nederland waren was sprake van toegenomen druk op journalisten wegens berichtgeving over de dood van [naam 4] , de daaropvolgende protesten en toegenomen dreiging van de inlichtingendienst op journalisten (in het bijzonder journalisten van [Organisatie] ) en hun familieleden. Dit beeld en die tijdlijn worden ook bevestigd in het Algemeen Ambtsbericht van Iran van 2023. Verder hebben eisers ter zitting verklaard dat zij in 2012 en 2015 ook op familiebezoek zijn geweest in Nederland en dat zij toen tijdig zijn teruggekeerd en dat zij ook deze keer de intentie hadden terug te keren. Dat komt de rechtbank aannemelijk voor.
20. Op grond van de hiervoor besproken documenten en bronnen en de verklaringen van eisers in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde problemen met Iraanse autoriteiten wegens het werk van hun zoon ongeloofwaardig zijn.
Afvalligheid en risico bij terugkeer
21. Eisers stellen dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat eisers bij terugkeer in Iran problemen zullen ondervinden wegens afvalligheid.
22. Verweerder heeft wel geloofwaardig gevonden dat eisers zich hebben afgewend van de islam, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat zij vanwege de afvalligheid hebben te vrezen voor vervolging of risico op ernstige schade lopen.
23. Volgens verweerder blijkt uit de verklaringen in het nader gehoor dat eisers bij terugkeer uit zichzelf de nodige terughoudendheid zullen betrachten omdat zij hebben verklaard dit in het verleden ook te hebben gedaan en in de toekomst opnieuw te zullen gaan doen. Eisers hebben die terughoudendheid betwist en hebben vooral gewezen op de risico’s indien zij bij terugkeer worden ondervraagd. Dit risico is vooral groot omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eisers in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan vanwege de werkzaamheden van hun zoon [naam 1] . Ook de eerdere oproep van de inlichtingendienst in 2020 en de inval in 2022 onderschrijven dat. De kans dat zij bij terugkeer na jarenlange afwezigheid indringend en langdurig zullen worden ondervraagd is derhalve groot.
24. Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank meent dat met name de hiervoor beoordeelde ernstige problemen en dreigingen als gevolg van de werkzaamheden van [naam 1] een doorwerking zullen hebben en mogelijk ook zullen leiden tot grotere risico’s vanwege de afvalligheid. Juist omdat eisers door het werk van [naam 1] in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, zullen zij bij aankomst op de luchthaven mogelijk indringender en uitvoeriger worden ondervraagd, ook over hun geloofsovertuiging. Ook nadien kunnen zij om die reden mogelijk bovengemiddeld in de gaten worden gehouden door de autoriteiten.
25. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:689) volgt dat als een vreemdeling afvalligheid als asielmotief heeft aangevoerd en dit bekend raakt bij de Iraanse autoriteiten, de vreemdeling moet kunnen bewijzen dat hij geen afvallige is. Een dergelijke ondervraging kan enkele uren duren en verweerder had gemotiveerd moeten ingaan op de vraag of de geloofwaardig geachte afvalligheid aan het licht kan komen. Bovendien kampt eiseres met psychische klachten. Verweerder had ook moeten betrekken of en in hoeverre gestelde psychische klachten van invloed zijn op de manier waarop de vreemdeling zal reageren. Ook om deze redenen kunnen de besluiten geen stand houden.
Gewijzigde situatie in Iran en besluit- en vertrekmoratorium
26. Sinds de bestreden besluiten en de behandeling van de beroepen bij deze rechtbank is de situatie in Iran significant gewijzigd. Sinds 28 februari 2026 is Iran in oorlog met Israël en de Verenigde Staten. Als gevolg daarvan is in Iran een gevaarlijke en onoverzichtelijke situatie ontstaan en zijn miljoenen burgers gevlucht en ontheemd geraakt.
27. Verweerder heeft met ingang van 24 maart 2026 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielaanvragen voor personen afkomstig uit Iran ingesteld (Stcrt. 2026, 11864). Op grond van artikel 1 van Pro het besluit tot instelling van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. De maximale beslistermijn van 21 maanden is in de zaken van eisers echter al op 25 augustus 2024 verstreken. Het besluitmoratorium is derhalve niet op de asielaanvragen van eisers van toepassing.
28. Er is momenteel een staakt-het-vuren en een overeenkomst afgesloten, maar de situatie is nog altijd uiterst onvoorspelbaar. Verweerder zal zo spoedig mogelijk opnieuw moeten beslissen op de asielaanvragen van eisers.

Conclusie en gevolgen

29. De asielaanvragen zijn ten onrechte afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, evenmin ziet de rechtbank aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder daarvoor periode van acht weken geven.
30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • draagt verweerder op binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.