ECLI:NL:RBDHA:2026:20122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/2944
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wet BPMArt. 7 Wet BPMArt. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 10 Wet BPMArt. 20 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag BPM en afwijzing immateriële schadevergoeding

Eiser diende een aangifte BPM in voor een gebruikte Kia Stonic uit Zwitserland, waarna de Belastingdienst een naheffingsaanslag oplegde wegens vermeende tekortkomingen in het taxatierapport en de waardering. Eiser stelde dat de naheffingsaanslag onterecht was en beriep zich op schending van Europees recht, waaronder artikel 110 VWEU Pro, en het verdedigingsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet voldeed aan de wettelijke eisen, onder meer omdat geen inkoopfactuur was bijgevoegd en de fysieke opname niet binnen de vereiste termijn had plaatsgevonden. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over schending van het Unierecht en het verdedigingsbeginsel, en vond dat verweerder voldoende gelegenheid had geboden tot horen. Ook werd geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en dat de bewijslast bij eiser lag om een lagere BPM aan te tonen.

Verder wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet leidde tot toekenning van schadevergoeding gezien het financiële belang en de omstandigheden van de zaak. De rechtbank sloot zich aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelde dat geen sprake was van strijdigheid met het Unierecht of schending van het verdedigingsbeginsel.

De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Walderveen op 7 juli 2026 en het beroep werd ongegrond verklaard, met afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den hAAg

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2944
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

/

Procesverloop

Verweerder heeft eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 16 maart 2023 een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4.519. Er is daarbij een bedrag van € 13 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten:

1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 22 december 2021, voor de registratie van een gebruikte Kia Stonic 1.0 T-GDi Executive Line uit Zwitserland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 6 december 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken]. De auto is op 8 maart 2023 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
05-06-2020
CO2-uitstoot
166 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 16.852
Bruto bpm
€ 17.665
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 27.280
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 250
Verschuldigde bpm
€ 160
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport van 17 december 2021 gevoegd en ondertekend door [naam], [bedrijfsnaam]. Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 14 december 2021 van 13:30 tot 14:00 uur te ‘s-Gravenhage. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van
€ 14.163,00 (herleid aan de hand van een koerslijst) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 16.380,06, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiser, met de reden dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring bijgevoegd. Ook kan het taxatierapport niet dienen omdat de fysieke opname plaats heeft gevonden op
14 december 2021 tussen 13:30 en 14:00. De keuring door de RDW heeft plaatsgevonden op 8 maart 2022. Op grond van artikel 8, vierde lid Uitvoeringsregeling bpm voldoet het taxatierapport niet aan de gestelde eis dat de fysieke opname door de taxateur ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden.
5. Bij brief van 25 januari 2023 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. De verweerder heeft de verschuldigde bpm bepaald op
€ 4.679. Na aftrek van de voldane bpm (€ 160), resteert een te betalen bedrag van
€ 4.519. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiser op 21 februari 2023 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd op 16 maart 2023.
Geschil
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiser in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiser onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door ABRvs (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiser in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna; VWEU) – niet toegestaan;
Eiser is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiser naar het arrest van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden van 10 januari 2017;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
De wetswijziging van 1 januari 2022 heeft tot gevolg dat het belastbaar feit is gewijzigd. Hierdoor heeft eiser recht op een extra leeftijdskorting;
De gewijzigde wijze van heffing, waarbij thans een CO2-meting met behulp van de zogenaamde WLTP-methode plaatsvindt terwijl in het verleden gebruik werd gemaakt van de NEDC-methode, leidt tot een verboden onderscheid en daarmee tot schending van artikel 110 VWEU Pro;
De belastingrente die eiser in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Beoordeling van het geschil8. Eiser heeft verschillende niet ter zake doende argumenten aangevoerd. Hierop zal de rechtbank niet ingaan. Eiser voert als grief dat DRZ een niet onafhankelijke partij zou zijn, maar er heeft in dit dossier geen waardeonderzoek door DRZ plaatsgevonden.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)9.Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van de eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
10
.Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stellen dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)11. Het betoog van eiser, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiser niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)12. In dit kader heeft eiser betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiser volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
13. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiser aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
14. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiser opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
15. Anders dan eiser betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s – een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
16. Ook het betoog van eiser dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)17. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 6 december 2022, namelijk bij brieven van 15 november 2022 en 23 november 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiser heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)19. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort da het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
20. In het onderhavige geval heeft eiser met, respectievelijk, dagtekening 3 augustus 2022 en 31 augustus 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)21. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (g)22. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiser, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van Pro de Wet bpm.
De verdeling van de bewijslast (grief h)23. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiser niet aan de bewijslast voldaan heeft.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief i)24. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor
.Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
Wijziging belastbaar feit per 1 januari 2022 (grief j)
25. Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen dan wel over een te korte periode een leeftijdskorting heeft toegepast, zich daarbij baserend op de wetswijziging in de nationale wet- en regelgeving per 1 januari 2022. Dat is – zo heeft eiser gesteld – in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu volgens vaste rechtspraak van het Hof in dergelijke gevallen uitgegaan moet worden van de geldende heffings- en betalingsmodaliteiten ten tijde van de eerste toelating van het voertuig (Hof van Justitie, 16 november 2023, NM, EU:C:2023:888, dictum). Artikel 110 VWEU Pro, welk artikel rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorden, richt zich met een fiscaal discriminatieverbod tot de lidstaten en moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat op de datum waarop in een lidstaat een voertuig dat voor het eerst in een andere lidstaat werd geregistreerd tot verbruik wordt uitgeslagen, een motorrijtuigenbelasting wordt berekend volgens de op die datum geldende regels, terwijl op de datum waarop dat voertuig voor het eerst werd geregistreerd een eerdere versie van die belastingregeling van kracht was die tot een lagere belastingheffing zou hebben geleid en van toepassing was op gelijksoortige voertuigen met dezelfde relevante kenmerken als dat voertuig, maar die voor het eerst in eerstgenoemde lidstaat zijn geregistreerd, indien en voor zover het bedrag van de belasting die op dat ingevoerde voertuig wordt geheven hoger is dan de restwaarde van de belasting die vervat is in de waarde van soortgelijke nationale voertuigen op de binnenlandse markt van tweedehands voertuigen. Aldus geldt volgens eiser voor voertuigen met een datum eerste toelating voor 1 januari 2022 nog immer dat voor de berekening van de verschuldigde belasting uitgegaan dient te worden van de tenaamstelling als het belastbare feit. Bijgevolg heeft eiser recht op een extra leeftijdskorting.
26. Verweerder heeft het standpunt van eiser verworpen en heeft daartoe een beroep gedaan op uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, maar die uitlegging is – zo heeft eiser gesteld – a priori rechtsongeldig en onverbindend, nu de Hoge Raad geen bevoegdheid heeft om die uitlegging te geven (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.0. 52 en 72). Aldus is het standpunt van verweerder volgens eiser onrechtmatig.
27. Verweerder heeft het vorenstaande gemotiveerd bestreden. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser en sluit zich aan bij overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.6 van de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 24 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2915. De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare.
De CO2-uitstoot (grief k)
28. Met betrekking tot deze problematiek heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij arrest van 26 april 2024 geadresseerd (ECLI:NL:HR:2024:653). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen CO2-uitstoot en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen bij de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de omstandigheid dat de CO2-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU Pro, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is. Met betrekking tot de vraag wat de belastingplichtige in dit verband daarvoor aannemelijk moet maken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingplichtige, die stelt dat artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste een gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en mode, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
29. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat sprake is van een gebruikte auto met een kilometerstand waaruit blijkt dat de auto niet nieuw is. Ook is sprake van een datum van eerste toelating in Zwitserland voorafgaande aan de registratie ervan in Nederland. De eerste vraag is daarmee bevestigend beantwoord. Voor wat betreft de Kia Stonic in dezelfde vorm en met gelijke specificaties ook op de Nederlandse markt als nieuw is verkocht. Het vragen van een ander bewijs dienaangaande aan eiser acht de rechtbank dan ook zinledig.
30. In het onderhavige geval is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een uitstoot ter grootte van 166 gram per kilometer. De rechtbank heeft aan de hand van het in de ‘Kennisgeving Naheffingsaanslag’ van 25 januari 2023 met vermelde kenteken van de auto, [kenteken], op basis van openbare bronnen (i.c. www.voertuig.net) , vastgesteld dat deze uitstoot overeenkomt met de uitkomst van een zogenaamde NEDC-meting. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het WLTP-resultaat lager zou komen te liggen dan het NEDC-resultaat. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen nadeel heeft ondervonden dat kan worden toegeschreven aan de toegepaste wijze van meten van de CO2-uitstoot en dat daarom niet van strijdigheid met artikel 110 VWEU Pro is gebleken.
Belastingrente en artikel 110 VWEU Pro (grief l)31. Verweerder heeft eiser belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiser gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU Pro valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiser heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip ‘’fiscale bepalingen’’ van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiele regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
32. De rechtbank stelt voorop dat het AirBNB-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU Pro, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro.
33. In artikel 6 van Pro de Wet Bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het AirBNB-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU Pro, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU Pro strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4).
34. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief m)35. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
36. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

37. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
38. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiser betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
39. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
40. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 22 oktober 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
41. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).