ECLI:NL:RBDHA:2026:20124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/6356
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 20 AWRArt. 6 EVRMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag BPM en afwijzing immateriële schadevergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Belastingdienst vanwege een te laag betaalde belasting bij registratie van een gebruikte auto uit Polen. De rechtbank heeft het taxatierapport van eiseres verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en onwaarschijnlijkheden in de gehanteerde referentievoertuigen en CO2-uitstoot.

Eiseres voerde aan dat de naheffing in strijd is met het Unierecht, met name artikel 110 VWEU Pro, en dat de heffing niet mag plaatsvinden nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De rechtbank oordeelt dat de Hoge Raad hierover reeds heeft geoordeeld en dat er geen aanleiding is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Ook het betoog over schending van het hoorrecht en de bevoegdheid van de inspecteur faalt.

Verder is het beroep op een extra leeftijdskorting en op een lagere proceskostenvergoeding niet geslaagd. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: A.FM.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 24 november2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 8.662. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 april 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 28 april 2023, voor de registratie van een gebruikte Seat Leon uit Polen, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 27 juni 2023 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken]. De auto is op 9 mei 2023 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
22-05-2019
CO2-uitstoot
159 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 22.561
Bruto bpm
€ 7.270
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 35.435
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 1.551
Verschuldigde bpm
€ 317
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijfsnaam] en ondertekend door [naam]. Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 26 april 2023 tussen 11:00 en 11:10 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 14.190 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 10.643,76, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopverklaring van de auto gevoegd, waarin een aankoopbedrag staat aangegeven ter hoogte van € 17.222.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiseres, omdat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. De taxateur heeft onvoldoende onderbouwd hoe tot de handelsinkoopwaarde is gekomen. Zo worden er slechts een beperkt aantal gegevens getoond waaruit niet kan worden herleid of dit de juiste referentievoertuigen zijn. Deze motorrijtuigen kunnen derhalve niet dienen als referentievoertuigen. Ook hebben alle drie de aangevoerde referentievoertuigen een veel hogere kilometerstand en is er op de foto’s van de auto geen schade te zien, aldus verweerder. Verweerder heeft nageheven op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. Bij brief van 25 september 2023 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.979. Na aftrek van de voldane bpm (€ 317), resteert een te betalen bedrag van € 8.662. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 3 november 2023 medegedeeld de naheffingsaanslag op te zullen gaan leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd op 24 november 2023.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Eiseres is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Verweerder heeft het door eiseres gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd wegens discriminatie van soortgelijke voertuigen;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Er mag niet meer geheven worden dan voor een soortgelijk voertuig;
De wetswijziging van 1 januari 2022 heeft tot gevolg dat het belastbaar feit is gewijzigd. Hierdoor heeft eiseres recht op een extra leeftijdskorting;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat Domeinen Roerende Zaken (DRZ) niet onafhankelijk zou zijn. Gezien het feit dat in deze zaak geen nacontrole door DRZ heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank aan deze grief voorbij.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (b)
13. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op het recente arrest in de zaak Remling,
C-767/23, EU:C:2025:486 inzake onder meer de toepasselijkheid van artikel 81 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie, stelt de rechtbank vast dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op de wijze van afdoening van rechtsgeschillen door rechtbanken en gerechtshoven, zodat ook een toekomstig oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze materie geen gevolgen kan hebben voor de uitkomst van het onderhavige beroep.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De hoorplicht in de bezwaarfase (d)
18. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 maart 2024, namelijk bij brief van 7 maart 2024. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Op 19 maart 2025 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het hoorrecht niet is geschonden.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief e)19. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief f)
20. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiser, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van Pro de Wet bpm.
De belastingcontrole door verweerder; naheffing op basis van artikel 20 AWR Pro (grief g)
21. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
22. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
23. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiseres in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiseres dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De aan het taxatierapport van eiseres toe te kennen belang (grief h)
24. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Daartoe is redengevend dat er op de bij het taxatierapport gevoegde foto’s geen schade te zien is, waardoor de gestelde schadeposten niet aannemelijk zijn gemaakt. Bovendien gaat de taxateur uit van een CO2-uitstoot van 159 gr/km WLTP in plaats van de uitstoot die door de RDW is vastgesteld, zijnde 192 gr/km NEDC. Daarnaast acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat de gehanteerde referentievoertuigen als zulks kunnen dienen. De kilometerstand van de referentievoertuigen is aanzienlijk hoger en het is niet bekend wanneer ze geproduceerd zijn. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Het taxatierapport van eiseres kan derhalve niet dienen.
25. De forfaitaire afschrijvingstabel die verweerder hanteert is neergelegd in artikel 8 van Pro de Uitvoeringsregeling bpm. Eiseres acht deze regeling onverbindend omdat eiseres deze in strijd acht met het Unierecht.
26. Verweerder heeft de forfaitaire tabel van juli 2023 toegepast op voertuigen met een eerdere toelating en handelt daarmee – zo heeft eiseres gesteld – in kennelijke strijd met artikel 110 VWEU Pro (Hof van Justitie, 16 november 2023, EU:C:2023:888, dictum). Verweerder heeft de juistheid van het standpunt van eiseres betwist. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Het wettelijke stelsel biedt de mogelijkheid om via verschillende wegen de afschrijving van voertuigen, en daarmee de vermindering van de bpm, te bepalen. Eén van die wegen is toepassing van de forfaitaire tabel. Dit wettelijke systeem is in overeenstemming met artikel 110 VWEU Pro.
27. Het staat de wetgever in beginsel vrij om een nieuwe tabel in te laten gaan op een door de wetgever zelf te bepalen tijdstip mits daarbij het Unierecht wordt geëerbiedigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, eiseres heeft haar standpunt niet cijfermatig noch anderszins onderbouwd en de rechtbank is ook ambtshalve niet van de juistheid daarvan gebleken. Daarbij geldt dat deze tabel op alle voertuigen betrekking heeft, binnenlandse en vanuit een andere lidstaat ingevoerde voertuigen. Van een zwaardere belastingheffing die tot discriminatie zou kunnen leiden voor een uit een lidstaat in te voeren voertuig is niet gebleken. In zoverre faalt het beroep.
Bewijslast en soortgelijke voertuigen (grief i)
28. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder dient te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan nog rust op soortgelijke, reeds in het binnenland geregistreerde, soortgelijke voertuigen. De rechtbank overweegt als volgt. De belasting voor de bpm dient op aangifte te worden voldaan (artikel 6 van Pro de Wet bpm). Bij het doen van aangifte voor de bpm dient eiseres de daartoe van belang zijnde gegevens aan te leveren voor de bepaling van de verschuldigde bpm. Indien eiseres wil afwijken van de door haar gehanteerde afschrijving, rust op haar in beginsel de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit volgt dat en in hoeverre de afschrijving te laag is (ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.4). Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling (ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3). De grief slaagt niet.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
29. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 34 heeft overwogen, kan het taxatierapport van eiseres niet dienen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
De CO2-uitstoot (grief k)
30. De grief van eiseres dat de heffing kennelijk begrensd is met een uitstoot van 159 gram WLTP of 141 gram NEDC voor een soortgelijk binnenlands voertuig, waardoor verweerder het risico op schending van artikel 110 VWEU Pro kennelijk aanvaardt, omdat voor de auto uitgegaan wordt van de werkelijke uitstoot van het voertuig zonder de waarde van het importvoertuig te vergelijken met de waarden van soortgelijke binnenlandse voertuigen, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat verweerder in de praktijk voorrang geeft aan hetgeen eiseres heeft gesteld met betrekking tot de betreffende koerslijst boven de wettelijke bepalingen inzake de uitstoot van CO² en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen. De rechtbank sluit zich voor wat betreft de CO2-uitstoot aan bij de uitstoot die door de RDW is vastgesteld, zijnde 192 gr/km NEDC.
Wijziging belastbaar feit per 1 januari 2022; strijd met artikel 110 VWEU Pro (grief l)
31. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen dan wel over een te korte periode een leeftijdskorting heeft toegepast, zich daarbij baserend op de wetswijziging in de nationale wet- en regelgeving per 1 januari 2022. Dat is – zo heeft eiseres gesteld – in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu volgens vaste rechtspraak van het Hof in dergelijke gevallen uitgegaan moet worden van de geldende heffings- en betalingsmodaliteiten ten tijde van de eerste toelating van het voertuig (Hof van Justitie, 16 november 2023, NM, EU:C:2023:888, dictum). Artikel 110 VWEU Pro, welk artikel rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorden, richt zich met een fiscaal discriminatieverbod tot de lidstaten en moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat op de datum waarop in een lidstaat een voertuig dat voor het eerst in een andere lidstaat werd geregistreerd tot verbruik wordt uitgeslagen, een motorrijtuigenbelasting wordt berekend volgens de op die datum geldende regels, terwijl op de datum waarop dat voertuig voor het eerst werd geregistreerd een eerdere versie van die belastingregeling van kracht was die tot een lagere belastingheffing zou hebben geleid en van toepassing was op gelijksoortige voertuigen met dezelfde relevante kenmerken als dat voertuig, maar die voor het eerst in eerstgenoemde lidstaat zijn geregistreerd, indien en voor zover het bedrag van de belasting die op dat ingevoerde voertuig wordt geheven hoger is dan de restwaarde van de belasting die vervat is in de waarde van soortgelijke nationale voertuigen op de binnenlandse markt van tweedehands voertuigen. Aldus geldt volgens eiseres voor voertuigen met een datum eerste toelating voor 1 januari 2022 nog immer dat voor de berekening van de verschuldigde belasting uitgegaan dient te worden van de tenaamstelling als het belastbare feit. Bijgevolg heeft eiseres recht op een extra leeftijdskorting.
32. Verweerder heeft het standpunt van eiseres verworpen en heeft daartoe een beroep gedaan op uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie door de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, maar die uitlegging is – zo heeft eiseres gesteld – a priori rechtsongeldig en onverbindend, nu de Hoge Raad geen bevoegdheid heeft om die uitlegging te geven (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.0. 52 en 72). Aldus is het standpunt van verweerder volgens eiseres onrechtmatig.
33. Verweerder heeft het vorenstaande gemotiveerd bestreden. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres en sluit zich aan bij overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.6 van de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 24 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2915. De rechtbank maakt deze overwegingen tot de hare.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief m)34. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie35. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
36. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
37. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
38. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
39. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk, bij de rechtbank ingekomen op 22 augustus 2024, voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
40. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T Langeveld griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).