ECLI:NL:RBDHA:2026:20128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.19885
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingwet 2000Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinbesluit asielaanvraag

Eiser, van Soedanese nationaliteit, diende op 11 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij eerder op 22 november 2025 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om terugname, welke werd aanvaard. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat hij bescherming zocht in Nederland, maar de rechtbank stelde ambtshalve de vraag of hij nog procesbelang had. Verweerder meldde dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben en niet te weten waar eiser verbleef.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. De zaak werd niet inhoudelijk behandeld en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19885

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL26.19886.
Naar aanleiding van een bericht van de gemachtigde van eiser van 15 mei 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaak zonder zitting. Zowel verweerder als de gemachtigde van eiser hebben toestemming verleend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. Hij heeft op 11 december 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 22 november 2025 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft op 26 januari 2026 aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit verzoek op 5 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.
5. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6. Bij brief van 8 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser op 8 mei 2026 een bericht gestuurd waarin is gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en weet waar hij verblijft. In reactie op dit bericht heeft de gemachtigde van eiser op 15 mei 2026 aangegeven dat hij geen contact meer met eiser heeft en niet weet waar hij verblijft.
7. Gezien het feit dat eiser staat geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken en eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde over de procedure, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 9 april 2026.

Conclusie en gevolgen

8. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.