ECLI:NL:RBDHA:2026:20141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.59436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Terugkeerrichtlijn 2008/115/EGArt. 6 Terugkeerrichtlijn 2008/115/EGArt. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 62a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens gebrek aan bevoegdheid

Eiser, een Jemenitische nationaliteit dragende persoon, diende op 26 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling en legde een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod van twee jaar op. Eiser betoogde dat hij sinds 5 augustus 2025 een vluchtelingenstatus in het Verenigd Koninkrijk heeft en daardoor niet onder het toepassingsbereik van de Terugkeerrichtlijn viel.

De rechtbank stelde vast dat eiser ten tijde van het bestreden besluit op 26 november 2025 niet illegaal op het grondgebied van Nederland of een andere EU-lidstaat verbleef. Hierdoor was verweerder niet bevoegd om het terugkeerbesluit en het inreisverbod op te leggen. De rechtbank vernietigde deze besluiten en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten.

De rechtbank benadrukte dat het beroep niet gericht was tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag, maar uitsluitend tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De uitspraak volgt vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn en de voorwaarden voor het opleggen van terugkeerbesluiten en inreisverboden.

De uitspraak werd gedaan door rechter F.A. Groeneveld en griffier W. Roozeboom op 2 juli 2026 in Rotterdam. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn vernietigd wegens het ontbreken van bevoegdheid omdat eiser niet illegaal in Nederland verbleef.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) buiten behandeling gesteld. Verder heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht (naar Jemen) en een inreisverbod voor de duur twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te dienen. Verweerder heeft deze reactie op 13 maart 2026 ingediend. De gemachtigde van eiser heeft hier op 17 maart 2026 op gereageerd.
Op 27 maart 2026 heeft de rechtbank, na hiervoor ter zitting al toestemming te hebben verkregen van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op 1 januari 2000. Hij heeft op 26 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is gebleken dat eiser op 31 januari 2025 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser op 31 januari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en hij niet binnen twee weken na het uitbrengen van het voornemen contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Verder heeft verweerder, met toepassing van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht aan eiser opgelegd, omdat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Ook heeft verweerder, met toepassing van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.
De beroepsgronden
3. Eiser betoogt dat verweerder niet bevoegd was een terugkeerbesluit op te leggen. Hij wijst erop dat hij sinds 5 augustus 2025 een vluchtelingenstatus heeft in het Verenigd Koninkrijk en dat hij ten tijde van het bestreden besluit dus niet viel onder het toepassingsbereik van artikel 2 van Pro Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Omdat er geen terugkeerbesluit aan eiser mocht worden opgelegd, mocht verweerder aan hem ook geen inreisverbod opleggen en hem ook niet signaleren in het Schengen Informatie Systeem. Eiser wijst er verder op dat hij vrienden en kennissen heeft in Nederland en dat hij als verblijfshouder in het Verenigd Koninkrijk door het bestreden besluit wordt gehinderd om vrij te reizen. Hij stelt dat hij onevenredig hard wordt getroffen door het bestreden besluit en dat de noodzaak voor een terugkeerbesluit en inreisverbod ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
Omvang van het beroep
4. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser niet is gericht tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag. Het beroep richt zich alleen tegen het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is deze richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
5.2.
Op grond van 62a, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn deels is geïmplementeerd, stelt de Minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen.
Op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt de Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw.
5.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 19 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:89, r.o. 3.3, en 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2670, r.o. 4.1, blijkt het volgende. Voor het terugkeerbesluit geldt volgens artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn als voorwaarde dat de onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten aanwezig is. De strekking van zo'n besluit is dat een vreemdeling het grondgebied van de lidstaten moet verlaten. De Terugkeerrichtlijn koppelt verder de bevoegdheid tot het uitvaardigen van het inreisverbod aan het bestaan van een terugkeerbesluit, dat op zijn beurt wel moet zijn genomen op het moment dat de vreemdeling illegaal op het grondgebied van een van de lidstaten verblijft.
Bevoegdheid oplegging terugkeerbesluit en inreisverbod
6. Uit de door eiser in beroep overgelegde stukken blijkt, zo is tussen partijen ook niet (meer) in geschil, dat eiser met ingang van 5 augustus 2025 een vluchtelingenstatus in het Verenigd Koninkrijk heeft gekregen. Gelet hierop, en nu verweerder geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die wijzen op het tegendeel, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 26 november 2025 al enige tijd in het Verenigd Koninkrijk bevond. Dit betekent dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet illegaal op het grondgebied van Nederland (of een andere lidstaat van de Europese Unie) aanwezig was. Dit maakt dat verweerder niet bevoegd was om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. In het verlengde daarvan was verweerder ook niet bevoegd om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn opgelegd, vernietigen wegens strijd met artikel 62a, eerste lid, en artikel 66a, eerste lid, van de Vw. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
8. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn opgelegd;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.