ECLI:NL:RBDHA:2026:20145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 29 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 30 juni 2026 op, waarna de rechtbank het onderzoek ter zitting achterwege liet.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest. Uit een eerdere uitspraak bleek dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De rechtbank richtte zich daarom op de periode daarna.

Eiser stelde dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven vanwege een strafrechtelijk vonnis dat pas laat bekend werd. De rechtbank oordeelde dat de minister conform de Vreemdelingencirculaire 2000 handelde, aangezien het vonnis pas op 30 juni 2026 bekend werd en de bewaring diezelfde dag werd opgeheven. Daarnaast is de minister niet verplicht voorafgaand aan bewaring te onderzoeken of er nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39170

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

De minister heeft op 29 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 30 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2004.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 juni 2026 (in de zaak NL26.29720) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser wijst op paragraaf A5/6.13 (de rechtbank begrijpt; A5/6.14) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) waarin is bepaald dat als tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling een strafrechtelijk vonnis of arrest moet ondergaan, voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, dit vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, de Dienst Terugkeer &Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het Centraal Justitieel Incassobureau over de executie van het vonnis.
Eiser verbaast zich erover dat pas onlangs een strafrechtelijk vonnis boven water is gekomen terwijl hij al sinds 12 februari 2026 in bewaring zit. Eiser meent dat het niet anders kan zijn dat de hierboven genoemde onderdelen die (nagenoeg) allen onder één en hetzelfde ministerie vallen kennelijk niet op zorgvuldige wijze met elkaar gecommuniceerd hebben.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring eerder dan op 30 juni 2026 had moeten opheffen om het strafrechtelijk vonnis ten uitvoer te leggen. Hierbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat uit de voortgangsrapportage (M120, onder onderdeel 13, “Opmerkingen/bijzonderheden”) blijkt dat waar het de vreemdelingenketen betreft het strafrechtelijk vonnis pas op 30 juni 2026 bekend is geworden. Op diezelfde datum is aan de Koninklijke Marechaussee verzocht de bewaringsmaatregel op te heffen in verband met
overdracht van eiser aan de strafrechtketen, wat ook diezelfde dag nog is gebeurd. In zoverre is dan ook gehandeld volgens het hiervoor weergegeven beleid uit paragraaf A5/6.14 van de Vc 2000.
6. Verder overweegt de rechtbank dat de minister niet verplicht is om voorafgaand aan de bewaring te onderzoeken of ten aanzien van de vreemdeling nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan [1] . Voor zover eiser meent dat andere onderdelen van de overheid onzorgvuldig hebben gehandeld is de rechtbank van oordeel dat dit punt buiten de omvang van dit beroep valt.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16929, welke is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 18 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3912.