ECLI:NL:RBDHA:2026:20145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 29 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 30 juni 2026 op, waarna de rechtbank het onderzoek ter zitting achterwege liet.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest. Uit een eerdere uitspraak bleek dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De rechtbank richtte zich daarom op de periode daarna.
Eiser stelde dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven vanwege een strafrechtelijk vonnis dat pas laat bekend werd. De rechtbank oordeelde dat de minister conform de Vreemdelingencirculaire 2000 handelde, aangezien het vonnis pas op 30 juni 2026 bekend werd en de bewaring diezelfde dag werd opgeheven. Daarnaast is de minister niet verplicht voorafgaand aan bewaring te onderzoeken of er nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.