ECLI:NL:RBDHA:2026:20160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59a VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, werd op 30 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister motiveerde dit met het concrete risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en het bestaan van een overdrachtsbesluit volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening.

De rechtbank behandelde het beroep op 7 juli 2026 en oordeelde dat eiser terecht staande is gehouden op grond van artikel 50 Vw Pro en vervolgens in bewaring is gesteld. Eiser was in maart 2026 met onbekende bestemming vertrokken uit de asielopvang, waardoor zijn rechtmatig verblijf is geëindigd. Het feit dat hij zich in mei 2026 weer meldde bij de opvang herstelt dit niet. Ook was er geen tijdige aanvraag voor een voorlopige voorziening in de asielprocedure.

De rechtbank verwierp het verweer dat eiser en zijn advocaat het asielbesluit niet hadden ontvangen, omdat de minister aannemelijk maakte dat het besluit op 5 juni 2026 via het advocatenportaal was verzonden. De rechtbank vond geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen.

Gelet op de feiten en de verstrekte gegevens concludeerde de rechtbank dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel vreemdelingenbewaring was voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Eiser kreeg ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.36260

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in

de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2000, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahmoudzadeh Anvar als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

2. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
2.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser staande heeft kunnen houden op grond van artikel 50 van Pro de Vw en hem vervolgens in bewaring heeft kunnen stellen op grond van artikel 59a van de Vw. Eiser is in maart 2026 met onbekende bestemming vertrokken uit de asielopvang, zodat hij wordt geacht Nederland kennelijk uit eigen beweging te hebben verlaten. Zijn rechtmatig verblijf is daarom geëindigd. Dat eiser zich in mei 2026 weer heeft gemeld bij de asielopvang maakt niet dat hij nu weer rechtmatig verblijf heeft. [2] Verder heeft eiser in de asielprocedure niet tijdig verzocht om een voorlopige voorziening, waardoor hij ook geen procedureel rechtmatig verblijf heeft. Dat eiser en zijn asieladvocaat het asielbesluit niet zouden hebben ontvangen en daarom niet tijdig om een voorlopige voorziening zouden kunnen hebben gevraagd volgt de rechtbank niet. De minister heeft immers ter zitting verklaard dat het asielbesluit op 5 juni 2026 via het portaal voor advocaten naar eisers asieladvocaat is gestuurd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die informatie te twijfelen.
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.