ECLI:NL:RVS:2019:1164
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: geen herleving rechtmatig verblijf na vertrek en terugkeer
Een vreemdeling, Dublinclaimant, vertrok op 12 september 2018 met onbekende bestemming uit een asielzoekerscentrum, waardoor zijn rechtmatig verblijf volgens artikel 62c lid 4 Vw 2000 eindigde. Op 14 november 2018 meldde hij zich opnieuw bij het asielzoekerscentrum en kreeg opvang.
De rechtbank oordeelde dat het rechtmatig verblijf daardoor was herleefd en verklaarde het beroep tegen de bewaring gegrond, met schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat artikel 62c lid 4 Vw 2000 geen herleving van rechtmatig verblijf voorziet bij terugkeer in een asielzoekerscentrum. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het verblijf was herleefd. De bewaring was daarom rechtmatig en het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.