ECLI:NL:RBDHA:2026:20162

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/289647-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bankhelpdeskfraude en diefstal met valse sleutels

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van oplichting door bankhelpdeskfraude en diefstal in vereniging met gebruik van valse sleutels. De feiten vonden plaats in juli 2025 waarbij slachtoffers op leeftijd werden benaderd via babbeltrucs, waarbij zij bankpassen, creditcards, pincodes en sieraden afstonden. De verdachte was via een Snapchat-account betrokken bij de coördinatie en verkoop van de buit.

De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van telefoononderzoek, Snapchat-gesprekken en verklaringen van slachtoffers. De verdachte werd geïdentificeerd als gebruiker van het relevante Snapchat-account en speelde een actieve rol in de samenwerking met medeverdachten.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank legde daarnaast bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht, gedragsinterventie, ambulante behandeling, contactverbod met medeverdachten, dagbesteding en schuldaflossing. De voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht en opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/289647-25
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 januari 2026, 15 april 2026 (beide pro forma) en 6 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L. Ibisevic naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
Hij in of omstreeks de periode van 24 juli 2025 tot en met 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther en/of Den Dungen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever] ,
- [aangeefster] , en/of
heeft/hebben bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten (een) bankpas(sen), creditkaart(en), een randomreader en/of sieraden (met een waarde van ongeveer €40.000,-), en/of
- het ter beschikking stellen van gegevens, te weten pincodes en/of inlogcodes, door
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank, en/of
- bovengenoemde perso(o)n(en) te bellen en zich voor te doen als politieagent, en/of
- hen mede te delen dat er fraude en/of verdachte en/of opvallende transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekening(en), en/of
- hen te vragen naar de in huis aanwezige sieraden, en/of
- hen te vragen naar de pincodes en/of inlogcodes van de bankpassen en/of creditkaarten, en/of
- langs de woning van bovengenoemde perso(o)n(en) te komen, en/of
- de bankpas(sen) en creditkaart(en) en/of sieraden mee te nemen;
2
hij, in of omstreeks de periode van 24 juli 2025 tot en met 25 juli 2025 te Berlicum, Den Dungen, Bussum en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een geldbedrag van €3.402,90,- dat geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde , en/of
- een geldbedrag van €6.600,-, dat geheel of ten dele aan [aangeefster] ,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpassen en/of credit card van bovengenoemde personen contant geld op te nemen en/of de beveiligingscodes van deze kaarten (onbevoegd) te gebruiken.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft in de
bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De oplichtingen
Op 24 juli 2025 heeft een bankhelpdeskfraude-oplichting plaatsgevonden bij aangever [aangever] en op 25 juli 2025 bij aangeefster [aangeefster] . Daarbij is steeds dezelfde werkwijze is gebruikt. De beoogde slachtoffers, beide personen op leeftijd, zijn gebeld door iemand die zich voordeed als medewerker van de bank, die hen vertelde dat er een verdachte transactie op hun bankrekening had plaatsgevonden. Deze persoon adviseerde hen vervolgens om hun bankpassen en waardevolle spullen af te geven aan iemand die bij hen thuis langs zou komen en te herkennen zou zijn aan de zogenaamde ‘meldcode’ die hij zou noemen. Vervolgens verscheen de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bij de woningen van de aangevers. Ten aanzien van beide aangevers kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] de meldcode noemde, waarop hij de bankpassen, een creditcard en random readers van de aangevers overhandigd kreeg. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] daarmee meerdere grote geldbedragen gepind. Aangeefster [aangeefster] is later op de dag opnieuw opgelicht. Zij werd toen gebeld door een persoon die zich voordeed als politiemedewerker. Door deze babbeltruc heeft zij sieraden afgegeven aan een persoon die daarna langskwam en ook hier te herkennen zou zijn aan de zogenaamde ‘meldcode’.
Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog – en daar is door de verdediging ook geen verweer op gevoerd – dat de aangevers door een combinatie van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van onder meer hun bankpassen, waarmee vervolgens geldbedragen zijn gestolen. Het behoeft evenmin betoog dat daarmee is gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
Bij onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] is een groepsgesprek op Snapchat aangetroffen waarin in juli 2025 werd gesproken over de oplichtingen, met als deelnemers onder andere de gebruikers [snapchataccount 1] en [snapchataccount 2] . De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van het Snapchat-account [snapchataccount 1] .
Identificatie verdachte als gebruiker van het Snapchat-account [snapchataccount 1]
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de gebruiker was van het Snapchat-account [snapchataccount 1] . Uit de bewijsmiddelen volgen meerdere feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang bezien, te herleiden zijn tot de verdachte als gebruiker van dit account. De rechtbank slaat hierbij in het bijzonder acht op het volgende.
Uit de identificerende gegevens van Snapchat bleek dat de gebruiker [snapchataccount 1] als schermnaam [schermnaam] gebruikte en dat het telefoonnummer [telefoonnummer] is gebruikt ter verificatie van dit account. De Snapchat-gebruiker [snapchataccount 1] werd in verband gebracht met een eerdere oplichting en de aangever in die zaak verklaarde dat de voornaam van deze persoon [verdachte] was, dat hij (in 2021) 23 jaar oud was, dat hij in Amsterdam woonde en van Surinaamse afkomst was. De Snapchat-naam [schermnaam] werd ook in verband gebracht met een witwasverdenking in 2022. De verdachte in die zaak verklaarde dat zijn bankpas werd gebruikt voor frauduleuze activiteiten door een persoon genaamd “ [verdachte] ”. Deze [verdachte] zou rijden in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en hij zou de Snapchat-naam “ [schermnaam] " gebruiken. Verder werd [verdachte] omschreven als een donkere jongen van Surinaamse afkomst. Uit onderzoek in de politiesystemen naar het kenteken [kenteken] bleek dat dit voertuig is gecontroleerd in 2022 en dat de bestuurder van dat voertuig de verdachte was.
Op 29 oktober 2025, de dag van de aanhouding van de verdachte, heeft de politie een bestuurder van de Mercedes-Benz die op naam van de verdachte staat, staande gehouden. De bestuurder heeft toen met zijn telefoon via Snapchat gebeld met een persoon die de eigenaar van de auto verklaarde te zijn. Deze persoon gebruikte op dat moment de Snapchat-schermnaam [schermnaam] , gekoppeld aan het snapchataccount “ [snapchataccount 1] ”. Toen de politie later op de dag zelf met deze persoon belde voor een afspraak gaf hij de naam van de verdachte als zijn naam en bevestigde hij eerder op de dag met de politie telefonisch te hebben gesproken. Vervolgens was het ook de verdachte die naar aanleiding van deze twee politiecontacten naar het politiebureau is gekomen en is aangehouden. Bovendien is gebleken dat het account [snapchataccount 1] voor het laatst actief was op 29 oktober 2025 en dus na de aanhouding van de verdachte niet meer is gebruikt.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het Snapchat-account [snapchataccount 1] werd gebruikt door de verdachte.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van deze feiten.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Uit het onderzoek op de terechtzitting en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte het volgende af. De verdachte nam op 24 en 25 juli 2025 deel aan het voornoemde Snapchat-groepsgesprek waarin werd gecommuniceerd over de oplichtingen van [aangeefster] en [aangever] . Toen snapchatgebruiker “ [snapchataccount 2] ” op 24 juli 2025 de pincode van de creditcard van [aangeefster] stuurde, vroeg de verdachte of er ook nog ‘inboedel’ was. Toen de volgende dag werd besproken hoe laat [medeverdachte 1] weer ‘fit’ zou zijn en hoe hij zichzelf zou vervoeren naar het adres van [aangever] , nam de verdachte ook deel aan die gesprekken. Nadat [medeverdachte 1] de bankpas van [aangever] had opgehaald, zei “ [snapchataccount 2] ” tegen de verdachte dat hij alvast moest kijken voor een ‘zwaaispot’. De verdachte meldde vervolgens dat de ‘Cartier heet’ was, maar ‘de klok slow’ en dat hij ‘5k kon krijgen’ voor de ‘bandjes van 9k’. Uit de aangifte van [aangeefster] volgt ook dat zij sieraden heeft afgegeven, waaronder een Cartier horloge. Op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte zowel voor als direct na de oplichtingen zich daarmee bezig hield, alsmede met het verkopen van de buit.
De rechtbank overweegt dat oplichtingen zoals in de onderhavige zaak alleen kunnen slagen als sprake is van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokken personen. Vooral omdat - wil een dergelijke fraude succesvol zijn - er snel geschakeld moet worden tussen de persoon die de aangevers belt, de persoon die bij de slachtoffers thuis komt en vervolgens het geld pint en/of goederen koopt of verkoopt, en diens chauffeur.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de rol van de verdachte, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en in onderling verband en samenhang bezien, van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Daarom acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van de oplichtingen wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
Hij in de periode van 24 juli 2025 tot en met 25 juli 2025 te Heeswijk-Dinther en Den Dungen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- [aangever]
en- [aangeefster]
hebben bewogen tot
- de afgifte van enig goed, te weten bankpassen,
een creditcard, randomreader
sen sieraden met een waarde van ongeveer € 40.000,- en
- het ter beschikking stellen van gegevens, te weten inlogcodes, door
- bovengenoemde personen te bellen en zich voor te doen als medewerker van een bank en
- bovengenoemde persoon
(die [aangeefster] )te bellen en zich voor te doen als politieagent, en
- hen mede te delen dat er verdachte transacties hebben plaatsgevonden op hun bankrekeningen en
- hen te vragen naar de in huis aanwezige sieraden en
- hen te vragen naar de inlogcodes van de bankpassen en/of
een creditcarden
- langs de woning van bovengenoemde personen te komen en
- de bankpassen en
creditcarden sieraden mee te nemen;
2
hij, in de periode van 24 juli 2025 tot en met 25 juli 2025 te Berlicum
enDen Dungen, tezamen en in vereniging met anderen,
- een geldbedrag van € 3.402,90, dat aan [aangever] toebehoorde, en
- een geldbedrag van € 6.600,-, dat aan [aangeefster]
toebehoorde,
heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpassen en/of
creditcardvan bovengenoemde personen contant geld op te nemen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waarbij het contactverbod ook betrekking dient te hebben op de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, in het geval van strafoplegging, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het gegeven dat hij geen aansturende rol zou hebben vervuld in de huidige verdenking.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee oplichtingen. Door middel van bankhelpdeskfraudes, zogenoemde ‘babbeltrucs’, zijn van de slachtoffers op slinkse wijze geld, bankpassen en sieraden met een grote financiële en emotionele waarde afhandig gemaakt. Daarbij werden de slachtoffers langdurig aan de telefoon gehouden en onder druk gezet. De rol van de verdachte bestond onder andere uit het verkopen van de buitgemaakte sieraden en andere waardevolle goederen. Dit zijn ernstige feiten die, naast financiële schade, ook gevoelens van onmacht, schaamte en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht.
De verdachte en zijn mededaders hebben zich alleen laten leiden door hun eigen financieel gewin en hebben geen oog gehad voor de bovengenoemde gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat vaak doelbewust mensen op leeftijd slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, met de kanttekening dat die veroordelingen niet onherroepelijk zijn, zodat daar bij de strafoplegging geen rekening mee wordt gehouden.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 22 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van meerdere recidive verhogende factoren op de leefgebieden psychosociaal functioneren, negatief sociaal netwerk, financiën en houding. Omdat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, heeft de reclassering slechts beperkt onderzoek kunnen doen en geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive. De reclassering concludeert dat de verdachte overkomt als iemand die niet in staat is om zelf zijn problemen op te lossen. Zijn kwetsbare positie wordt als zorgelijk beschouwd. De reclassering adviseert om bij een veroordeling van de verdachte aan hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, een ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding en aflossing van zijn schulden.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voldoende tot uitdrukking in de eis van de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 131 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft verbleven, waardoor de rechtbank de voorlopige hechtenis zal opheffen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
300 (DRIEHONDERD) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
131 (HONDERDEENENDERTIG) DAGEN,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, en houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig acht. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken;
deelname aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
- gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus/Solo, of een andere gedragstraining, te bepalen door de reclassering, die is gericht op cognitieve vaardigheden, waarbij de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die gedurende deze gedragsinterventie door de trainer aan hem worden gegeven. De training duurt zolang de reclassering die nodig vindt;
ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Inforsa GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling vindt plaats op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
contactverbod
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met een of meer van zijn medeverdachten:
[medeverdachte 3](geboren op [geboortedatum 2] 2002),
[medeverdachte 1](geboren op [geboortedatum 3] 2006) en
[medeverdachte 2](geboren op [geboortedatum 4] 2004);
dagbesteding
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
aflossing schulden
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Tsjapanova, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.