ECLI:NL:RBDHA:2026:20165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
09/024217-26, 09/019581-26 en 09/007131-26 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 311 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor diefstal met braak en bezit amfetamine

De rechtbank Den Haag behandelde op 20 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere diefstallen van fietsen, heling en het bezit van amfetamine. De feiten betroffen onder meer diefstal van elektrische fietsen uit beveiligde stallingen en het aanwezig hebben van circa 41 gram amfetamine.

De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, waaronder diefstal van een fiets uit een beveiligde stalling in Voorburg en heling van een gestolen fiets, omdat het bewijs onvoldoende was om zijn betrokkenheid wettig en overtuigend vast te stellen. Voor andere feiten, zoals diefstal door middel van braak in Gouda en diefstal van een fiets in Rijswijk, alsmede het bezit van amfetamine, werd verdachte wel schuldig bevonden.

De rechtbank oordeelde dat de diefstallen op een brutale wijze waren gepleegd, namelijk uit bewaakte stallingen, en dat het bezit van amfetamine een ernstige strafbare gedraging is. Gezien de ernst en omstandigheden van de feiten legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing of vrijspraak van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor meervoudige diefstal door braak en bezit van amfetamine, met vrijspraak voor overige feiten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/024217-26, 09/019581-26 en 09/007131-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 20 juli 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] ( [land] ),
laatst opgegeven verblijfadres: [verblijfadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/024217-26 (hierna: dagvaarding I):
hij op of omstreeks 15 januari 2025 te Gouda twee fietsen, te weten een zwarte Gazelle (framenummer [framenummer 1] ) en/of een blauwe Gazelle (framenummer [framenummer 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/019581-26 (hierna: dagvaarding II):
1
hij in of omstreeks 16 januari 2026 te Rijswijk een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/007131-26 (hierna: dagvaarding III):
1
hij op of omstreeks 6 december 2025 te Rijswijk al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 41,1 gram, althans enige hoeveelheid, amfetamine aanwezig heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 6 december 2025 te Rijswijk, een elektrische fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het oordeel van de rechtbank
3.2.1.
Vrijspraken
De rechtbank is van oordeel dat de bij dagvaarding II onder 2 en bij dagvaarding III onder 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2: de fiets van de heer [aangever 4]
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de fiets van de heer [aangever 4] op 12 januari 2026 is gestolen uit een beveiligde fietsenstalling in Voorburg. De diefstal staat op beeld en de aangever heeft de fiets nooit teruggekregen. De rechtbank kan evenwel niet vaststellen dat de verdachte degene was die de diefstal heeft gepleegd, nu een herkenning van de verdachte in het dossier ontbreekt en ook ambtshalve niet mogelijk is, ook niet aan de hand van de beelden van 16 januari 2026 van een diefstal van een andere fiets. De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken.
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 2: de fiets van [aangever 5]
De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdenking heling betreft, en niet witwassen (waar de officier van justitie vanuit ging).
Op 6 december 2025 is de verdachte in Rijswijk aangehouden en hij bleek toen een gestolen fiets, die aan [aangever 5] toebehoorde, onder zich te hebben. De verdachte verklaarde hier bij de politie slechts over dat hij de fiets tussen februari en april 2025 voor € 750,- via marktplaats heeft gekocht.
Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte ‘ten tijde van’ het voorhanden ‘krijgen’ wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een ‘door misdrijf verkregen goed’ betrof. Nu uit het dossier niets blijkt over het exacte moment waarop de verdachte het goed voorhanden heeft gekregen en over de precieze omstandigheden waaronder dat is gebeurd, kan de rechtbank niet vaststellen of aan de vereisten voor opzet- of schuldheling is voldaan. Dat de verklaring van de verdachte over het moment van verkrijgen van de fiets niet kan kloppen (namelijk voordat de fiets is gestolen), doet daaraan niets af. De rechtbank zal daarom de verdachte daarvan vrijspreken.
3.2.2.
Bewezenverklaringen
De rechtbank acht het feit op dagvaarding I, feit 1 op dagvaarding II en feit 1 op dagvaarding III wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het feit op dagvaarding I en feit 1 op dagvaarding II overweegt de rechtbank dat de beelden van de diefstallen voldoende duidelijk zijn om op basis daarvan een herkenning te baseren.
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen.
ten aanzien van het feit op dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026025780 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 66).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 15 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 9):
Plaats delict: [staatnaam] Gouda
Pleegdatum/tijd: tussen 14 januari 2026 om 19:15 en 15 januari 2026 om 9:00
E-bike gazelle gestolen in afgesloten fietsruimte op [staatnaam] de blauwe haan.
Fiets stond op slot
Merk/type: Gazelle Orange C8 Hmb Dli53 N8
Kleur: Zwart
Framenummer: [framenummer 1]
Inhoud/specificatie: Met zadeltassenaccu 48013-050-35-a01-01-1120
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 15 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 11):
Plaats delict: [staatnaam] Gouda
Pleegdatum/tijd: tussen 14 januari 2026 om 20:30 en 15 januari 2026 om 10:30
Fiets is vannacht gestolen uit de centrale fietsenstalling.
Merk/type: Gazelle
Kleur: Blauw
Framenummer: [framenummer 2]
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 14):
Ik doe aangifte van inbraak in een fietsenstalling. Ik kan u hierover het volgende
verklaren:
De fietsenstalling bevindt zich aan de [staatnaam] in Gouda.
Op 15 januari 2025 om omstreeks 09.30 kreeg ik een telefoontje van mijn zoon. Hij zag schade aan de buitenzijde van de stalling, aan de deur. Ik keek op mijn videobeelden en zag hierop dat de toegangsdeur van de fietsenstalling werd geforceerd. Ik zag dat het een man betrof die een gezichtsbedekking droeg. De man draagt een groen jas met gekleurde banen en heeft een tasje om zijn schouder hangen. Duidelijk te zien is op de beelden dat hij rustig de fietsen bekijkt en er dan twee meeneemt. Dit doet hij door het achterwiel op te tillen en zo met de fiets de deur uit te lopen.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 19-20):
Op het Stationsplein ter hoogte van nummer 1 werd ik samen met mijn collega aangesproken door een man. Deze man vertelde aan ons dat hij werkzaam is als eigenaar en tevens fietsenmaker bij de aldaar gelegen fietsenwinkel [bedrijfsnaam] .
De fietsenmaker vertelde dat hij op 15 januari 2026 een fiets in ontvangst had genomen in zijn fietsenwinkel. Deze fiets werd op 15 januari 2026 rond 07:45 uur in de fietsenwinkel gebracht door een man. De fietsenmaker haalde het framenummer door het RDW-register, om te kijken of de fiets van diefstal afkomstig was. Dit was op dat moment niet het geval. De volgende dag keek de fietsenmaker opnieuw in het RDW-register, toen de fietsenmaker zag dat de fiets inmiddels wel als gestolen stond geregistreerd.
De fietsenmaker kon de man als volgt omschrijven:
- man;
- blanke huidskleur;
- Oost-Europees uiterlijk;
- donkerbruin kortgeschoren haar;
- groene jas met een witte horizontale streep;
- spijkerbroek;
- lichtkleurige sneakers;
- zwarte schoudertas.
De fietsenmaker toonde mij beveiligingsbeelden waarop te zien was hoe de man de
fietsenwinkel binnenkwam met de fiets. Ik zag dat de man op deze beveiligingsbeelden overeenkwam met bovengenoemd signalement. De fiets waarmee de man binnenkwam en welke door de fietsenmaker aan ons werd overhandigd, was voorzien van framenummer [framenummer 1] .
De rechtmatige eigenaar bleek mij bekend als zijnde: [aangever 1] .
Op 22 januari 2026 kwam de zoon van de rechtmatige eigenaar de fiets ophalen. De zoon bleek mij bekend als zijnde: [naam] . [naam] liet mij via zijn mobiele telefoon beveiligingsbeelden zien van het moment van de diefstal van de desbetreffende fiets. Op deze beveiligingsbeelden zag ik een persoon welke zo goed als voldeed aan het bovengenoemde signalement:
- man;
- blanke huidskleur;
- capuchon;
- gezichtsbedekking;
- groene jas met een witte horizontale streep;
- spijkerbroek;
- lichtkleurige sneakers;
- zwarte schoudertas.
Ik herkende de kledij van deze man als de kleding welke ik eerder op de beveiligingsbeelden van de fietsenmaker zag.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 25):
[verdachte] is door ons aangehouden
Ik hoorde [eigenaar bedrijfsnaam] het volgende verklaren:
Op 23 januari 2026kwam er een man onze winkel binnen gelopen. Ik herkende de man als de zelfde man die op 15 januari de gestolen fiets kwam brengen. Hierop wilde wij de man in de winkel houden zodat de politie kon komen. En dit is gelukt.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 32-33):
Ik bekeek beide videobestanden. Ik zag direct dat de persoon die op 15 januari de fiets in Gouda wegnam dezelfde persoon betreft als degene die diezelfde dag de fiets ter reparatie aanbood bij de fietsenmaker. Ik zag namelijk dezelfde opvallende groene jas met zwarte en witte horizontale strepen. Verder zag ik dat de persoon qua postuur overeenkomt. Ook zie ik dat de persoon op beide momenten dezelfde schoudertas op zijn lichaam draagt, dezelfde lichtgrijze hardloopschoenen draagt en op beide beelden een blauwe spijkerbroek draagt.
Ik zie beelden van een fietsenstalling. Ik zie dat de datum en tijdstempel 15 januari 2026 03.33:32 uur aangeeft. Op de achtergrond zie ik [verdachte] de toegangsdeur verbreken.
Ik zie het licht aangaan op het moment dat hij de stalling inloopt. Ik zie dat hij een breekvoorwerp, gelijkend op een klein breekijzer in zijn tasje wegstopt. Om 03.35.16 uur zie ik hem een zwarte elektrische fiets, damesmodel met zwarte fietstassen aan de achterzijde optillen. Ik zie dat hij deze fiets naar buiten toe wegneemt. Ik herken deze fiets als dezelfde fiets die bij de fietsenmaker aangeboden is. Ik zie [verdachte] terug naar binnen komen. Ik zie dat hij vervolgens rechts achterin een blauwe elektrische fiets, damesmodel bij het achterwiel optilt en daarmee naar buiten loopt.
Op de beelden van de fietsenmaker is [verdachte] te zien die met een zwarte fiets met zwarte fietstassen daarop de fietsenwinkel binnenloopt. Ik zie dat [verdachte] in gesprek gaat met de fietsenmaker.
Ik maakte vervolgens een zoekslag in de systemen op de verdachte [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] op 15 januari 2026 om 04.35 uur op de [staatnaam] te Gouda gecontroleerd is. In zijn nabijheid lag een plastic tas met inbrekerswerktuigen. Dit is dus nog geen uur na de diefstal en in dezelfde straat als waar de diefstallen gepleegd zijn.
ten aanzien van feit 1 op dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026021720 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 618).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , opgemaakt op 17 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 16):
Tussen 18:15 en 18:30 op vrijdag 16 januari 2026 heb ik op station Rijswijk mijn fiets bij de bewaakte NS fietsenstalling geparkeerd. Toen ik rond 1:20-1:30 op zaterdagnacht 17 januari terugkwam, was mijn fiets weg. Ik heb de sleutel nog wel en hij was op slot.
Herenfiets
Merk: Batavus
Type: Fonk 7
Kleur: zwart
Bijzonderheden: Heeft een kettingslot, geen snelbinders
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 31):
Ik zag op 18 januari 2026 dat er een fiets was weggenomen vanaf de bewaakte fietsenstalling van Station Rijswijk, in beheer bij de NS (Nederlandse Spoorwegen). Ik las in de aangifte dat aangever aangifte deed van diefstal van zijn fiets van het merk Batavus, type Fonk 7.
Ik bekeek deze camerabeelden. Ik zag dat de tijdsnotatie 16 januari 2026 omstreeks 22.45 uur betrof. Ik zag een man door de stationshal voor de fietsenstalling lopen. Ik kan deze man als volgt omschrijven:
- man;
- blanke huidskleur;
- donkere kleur wenkbrauwen;
- zwarte muts;
- zwarte jas;
- zwarte broek;
- witte sokken onder de zwarte broek;
- opvallende witte Nike sneakers met grijze accenten;
- schoudertas, vierkant qua patroon waarvan de band over de nek van de man hangt.
Ik zag dat deze man zich door de toegangspoortjes van de fietsenstalling wringde. Hij bood niet zoals dat normaliter hoort om de toegangspoortjes te openen een OV-chipkaart aan. De man loopt door de fietsenstalling heen. Hij kijkt enige seconden naar een fiets. Hij pakt deze fiets en neemt deze weer mee terug naar de toegangspoortjes. Het is duidelijk op beeld te zien dat het achterwiel sleept over de grond. Ik kan daar uit opmaken dat het ringslot van de fiets op slot zit omdat iets het achterwiel lijkt te blokkeren.
De man, hierna te noemen verdachte, probeert de fiets door de toegangspoortjes te krijgen. Dit lukt hem niet omdat de poortjes blokkeren omdat deze gesloten zijn. Na ruim vijftig seconden proberen lukt het de verdachte om de fiets door te toegangspoortjes heen te krijgen.
De verdachte tilt vervolgens de fiets aan het zadel op waardoor het achterwiel van de grond los komt. De verdachte loopt vervolgens met de fiets te fietsenstalling uit.
Ik, verbalisant, bevroeg zoekmachine 'Google' met de zoekterm op het internet: 'Batavus Fonk 7 zwart'. Ik zag dat de afbeeldingen die weergeven werden door zoekmachine overeenkwamen met de fiets die de verdachte wegnam.
Ik herken voor 100% de verdachte van deze beelden als [verdachte] , geboren [geboortedatum] -2002 te [geboorteplaats] in [land] . Alle kleding die [verdachte] ten tijde van de diefstal droeg kwam overeen met de controle op 18 januari 2026.
ten aanzien van feit 1 op dagvaarding III:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025412586 van de politie eenheid Den Haag (p. 1 t/m 45).
1.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 december 2025, voor zover inhoudende (p. 18):
Op 6 december 2025 werd door ons aangehouden als verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [voornaam]
Ik, verbalisant, hoorde [verdachte] zeggen dat hij een beetje drugs bij zich had.
Ik zag in zijn schoudertas een klein blauw zakje met witte brokken erin. Ik vermoedde dat het cocaïne of amfetamine was.
Op het moment dat ik mijn fouillering verplaatste van zijn rechterzijde naar zijn
linkerzijde, viel mij op dat een zelfde soort blauwe zakje die ik hiervoor uit zijn
tasje had gehaald nu ineens op de balk lag waar de verdachte geëtaleerd stond. Ik zag alleen dat dit zakje veel groter was dan het eerder genoemde blauwe zakje. Ik zag dat er in dit zakje het zelfde soort substantie zat als het eerder genoemde blauwe zakje.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 december 2025, voor zover inhoudende (p. 9):
Beslagene
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [voornaam]
Goed
Goednummer: […]3428111
Categorie omschrijving: Medicamenten/hulpmiddelen
Object: Verdovende mid
Aantal: 1 stuks
Bijzonderheden: Indicatief getest op amphetamine
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 december 2025, voor zover inhoudende (p. 11):
Het volgende onderzoeksitem is aangeboden voor onderzoek:
SIN/UVN: AATC0453NL
BVH Goednummer: 3428111
Object omschrijving: Eén donker blauwkleurig plastic tas met daarin één lichtblauwkleurig diepvrieszakje met hierin crèmekleurige poeder en brokjes.
4.
Het geschrift, te weten het NFI rapport van ing. M. Visser – van Leeuwen, opgemaakt op 12 december 2025 voor zover inhoudende (p. 13):
Kenmerk
Omschrijving FO
Conclusie
AATC0453NL
poeder en brokvormig, creme, uit 41,1 gram;
aantal bemonsteringen in onderzoek: een
bevat amfetamine
3.3.
De bewezenverklaring
Dagvaarding I (09/024217-26)
hij op 15 januari
2026te Gouda twee fietsen, te weten een zwarte Gazelle (framenummer [framenummer 1] ) en een blauwe Gazelle (framenummer [framenummer 2] ), die aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Dagvaarding II (09/019581-26)
1
hij
op16 januari 2026 te Rijswijk een fiets, die aan [aangever 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding III (09/007131-26)
1
hij op 6 december 2025 te Rijswijk opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 41,1 gram amfetamine, aanwezig heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen van (elektrische) fietsen, waaronder twee middels braak, en het aanwezig hebben van amfetamine. De rechtbank kent in de weging van de ernst van de gedragingen van de verdachte in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte de fietsen op een brutale wijze uit bewaakte fietsenstallingen heeft gestolen, bij uitstek de plek waar men (tegen betaling) een fiets veilig moet kunnen stallen.
Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid van ongeveer 40 gram amfetamine voorhanden gehad. Amfetamine is voor de gebruikers een zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 juni 2026. De rechtbank constateert dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een taakstraf van dertig uur voor de diefstal van een elektrische fiets zonder braak. Voor het aanwezig hebben van tien tot vijftig gram harddrugs wordt een taakstraf van tachtig uur als uitgangspunt genomen. Gezien het aantal strafbare feiten en de aard en ernst van de fietsendiefstallen, acht de rechtbank een taakstraf echter niet op zijn plaats.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] (Dagvaarding I) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 570,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 4] (Dagvaarding II, feit 2) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.935,89 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 5] (Dagvaarding III, feit 2) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.120,26 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot het deels toewijzen van de vorderingen van de benadeelde partijen.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [aangever 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [aangever 2] rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de kosten die zijn gemaakt voor de aanschaf van een vervangende fiets (te weten € 50,-), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu deze vordering door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.
De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag € 1.950,- gevorderd voor een aangeschafte tweedehands fiets. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de door de verdachte gestolen fiets op 13 maart 2021 is aangekocht voor € 2.384,- en dat de fiets ten tijde van de diefstal bijna vijf jaar oud was. De rechtbank acht een afschrijvingspercentage van 10% per jaar redelijk. Rekening houdend met deze afschrijving van vijfmaal 10%, stelt de rechtbank de totale schade van Vuijk vast op € 1.192,00. Nu uit de vordering is gebleken dat de benadeelde partij € 1.430,- heeft gekregen van de verzekeraar (Interpolis), is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij zijn totale schade reeds vergoed heeft gekregen. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van zijn vordering.
Concluderend zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
De vordering van [aangever 4]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
De vordering van [aangever 5]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikelen:
- 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II (parketnummer 09/019581-26) onder 2 en bij dagvaarding III (parketnummer 09/007131-26) onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I (parketnummer 09/024217-26), bij dagvaarding II (parketnummer 09/019581-26) onder 1 en bij dagvaarding III (parketnummer 09/007131-26) onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/024217-26):
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 1 van dagvaarding II (parketnummer 09/019581-26):
diefstal;
ten aanzien van feit 1 van dagvaarding III (parketnummer 09/007131-26):
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (DRIE) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart de benadeelde partijen [aangever 2] , [aangever 4] en [aangever 5] niet-ontvankelijk in de vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.M. Krans, voorzitter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2026.