ECLI:NL:RBDHA:2026:20186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35927 - NL26.35779
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 2 VwArt. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 106 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van vreemdelingenbewaring

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar, alsmede tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op 26 juni 2026. Eiser betoogde onder meer dat de ophoudingstermijn was overschreden en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank stelde vast dat de ophoudingstermijn met ruim 30 minuten was overschreden, waardoor de ophouding onrechtmatig was. Desondanks woog de rechtbank de belangen van de overheid zwaarder vanwege het onderduikrisico en de noodzaak van een tolk, en wees het beroep op dit punt af. Wel werd een proceskostenvergoeding toegekend.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit en inreisverbod oordeelde de rechtbank dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden had aangetoond die een verkorting van het inreisverbod rechtvaardigen. Het eerdere Belgische terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen maakte zelfstandig vertrek onmogelijk. Ook het beroep tegen de maatregel van bewaring faalde, omdat het risico op onderduiken voldoende was gemotiveerd en eiser zelf in vreemdelingenbewaring wenste te verblijven.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.35927 (inreisverbod en terugkeerbesluit) en NL26.35779 (maatregel van bewaring)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2026 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag (het bestreden besluit 2) aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 (NL26.35927) en het bestreden besluit 2 (NL26.35779) beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [1]
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de gronden die aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de besluiten te kunnen dragen.
Voortraject
Ophouding
2. Eiser betoogt dat de termijn van de ophouding is overschreden. Eiser is op 26 juni
2026 om 14:10 uur opgehouden en op 26 juni 2026 om 20:41 uur is zijn ophouding beëindigd omdat eiser toen in bewaring is gesteld. Hiermee is sprake van een overschrijding van de termijn van zes uur, neergelegd in artikel 50, tweede lid, van de Vw. In de maatregel wordt als reden vermeld dat de aanvraag voor vertolking om 17:59 uur is gestart en het minstens 38 minuten duurde voordat er een tolk beschikbaar was. Er is gebruik gemaakt van een niet-beëdigde tolk Engels. Volgens eiser wordt verondersteld dat de verbalisanten eveneens de Engelse taal voldoende machtig waren om het gehoor ook zonder de aanwezigheid van een tolk te doen indien overschrijding van de ophoudingstermijn dreigt. De belangenafweging die de rechtbank wegens dit gebrek moet maken dient in het voordeel van eiser uit te vallen.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de ophouding van eiser de maximale duur met ruim 30 minuten is overschreden. De ophouding is daarom onrechtmatig. Volgens vaste jurisprudentie maakt de onrechtmatigheid van de ophouding de
daarop volgende besluiten slechts onrechtmatig als de met de besluiten gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Bij afweging van de belangen is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verweerder in deze prevaleren boven de belangen van eiser. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de gronden die aan de besluiten ten grondslag zijn gelegd - zoals in overweging 1. is overwogen – een onderduikrisico volgt. Bovendien was de aanvang van het gehoor vertraagd in het belang van eiser, omdat verweerder zich heeft ingespannen om een tolk te regelen. Eiser heeft niet betwist dat er uiteindelijk gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk Engels. Verweerder heeft in het proces-verbaal voldoende gemotiveerd dat er vanwege vereiste spoed geen beëdigde tolk beschikbaar is. De rechtbank volgt eisers gemachtigde niet in zijn betoog dat de verbalisanten dan het verhoor maar zelf in het Engels hadden moeten doen. Bijstand van een tolk acht de rechtbank van essentieel belang. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd op welke wijze hij door het overschrijden van de ophoudingstermijn in zijn belangen is geschaad. Het gebrek in het voortraject leidt wel tot een proceskostenvergoeding.
Over het inreisverbod en het terugkeerbesluit (NL26.35927)
Persoonlijke omstandigheden
3. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit en inreisverbod onvoldoende zijn gemotiveerd omdat de afweging op grond van de persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft plaatsgevonden. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit verklaard dat hij terug wou naar het Verenigd Koninkrijk maar dat dit niet mogelijk is omdat hij geen reisdocument heeft. Ook heeft eiser verklaard dat hij geld kan lenen van vrienden om zo zijn uitreis te bekostigen. Verder is tijdens het gehoor nagelaten vragen te stellen aan eiser wat de gevolgen zijn voor hem bij een inreisverbod van twee jaar. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377), waaruit kan worden afgeleid dat een lidstaat niet automatisch mag afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Er dient per geval een afweging te worden gemaakt en dat is in dit geval volgens eiser niet of onvoldoende gebeurd.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu eiser geen documenten heeft, nog heeft kunnen verkrijgen, is zelfstandig vertrek niet mogelijk. Ook is het risico op onttrekking dan wel onderduiken zoals in de maatregel verwoord aanwezig en heeft verweerder dat voldoende gemotiveerd. Uit artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor verweerder de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. Er is tijdens het gehoor voorafgaand de oplegging van het terugkeerbesluit en inreisverbod expliciet gevraagd of eiser nog iets wil verklaren over het inreisverbod van twee jaar. Hierop verklaarde eiser ‘nee hoor’. Bovendien heeft eiser later tijdens het gehoor verklaard dat hij ook een inreisverbod van 10 jaar accepteert, zolang hij terug kan gaan naar zijn familie. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit van 19 juni 2026 in België
4. Eiser heeft op 19 juni 2026 een terugkeerbesluit in België gekregen. Niet duidelijk is welke vertrektermijn dit terugkeerbesluit heeft. In de toelichting in het M107-A verslag staat vermeld dat indien de vertrektermijn nog loopt het nieuwe terugkeerbesluit gerechtvaardigd is in eisers geval. Eiser voert aan dat zolang de vertrektermijn van het terugkeerbesluit van 19 juni 2026 niet is verlopen, hij zelfstandig kan vertrekken naar het Verenigd Koninkrijk.
4.1.
Ter zitting is gebleken dat aan eiser op 19 juni 2026 door de Belgische autoriteiten een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen is opgelegd. Eiser is niet in de gelegenheid om zelf te vertrekken naar het Verenigd Koninkrijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de maatregel van bewaring van bewaring (NL26.35779)
Lichter middel
5. Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte niet een lichter middel is opgelegd met eventueel een meldplicht zodat hij zelf een reisdocument kan aanvragen en kan vertrekken naar het Verenigd Koninkrijk. Eiser heeft verklaard dat hij wil terugkeren en daar geen problemen mee heeft. Eiser heeft telefonisch contact gehad met de ambassade om te informeren naar de afgifte van een reisdocument. Volgens eiser resulteerde dit niet in het verkrijgen van een reisdocument omdat het personeel van de ambassade niet naar hem wilde luisteren en het gesprek heeft afgebroken. Desalniettemin is de stelling van verweerder dat het risico op onttrekking te groot is gebaseerd op een niet onderbouwd vermoeden.
5.1.
De rechtbank verwijst terug naar overweging 3.1., waaruit volgt dat het risico op onttrekking dan wel onderduiken vaststaat en zelfstandig vertrek niet mogelijk is. Daarnaast is ter zitting gebleken dat eiser graag in vreemdelingenbewaring wenst te verblijven, teneinde verweerder de mogelijkheid te geven alsnog een laissez-passer via de Britse ambassade voor hem te regelen, nu dit eiser niet is gelukt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7.1.
Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze
vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over de maatregel van bewaring gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over het terugkeerbesluit dan wel het inreisverbod gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025,