ECLI:NL:RBDHA:2026:20223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38208
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 8 VwArt. 68 ProcedureverordeningArt. 42 Procedureverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtmatige vreemdelingenbewaring na intrekking asielaanvraag en afwijzing beroep

Eiser heeft op 2 juli 2026 een asielaanvraag gedaan, die hij op 6 juli 2026 expliciet heeft ingetrokken. Desondanks heeft de minister op 7 juli 2026 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde op 9 juli 2026 beroep in tegen deze beschikking en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) na de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hierdoor kon de maatregel van vreemdelingenbewaring niet worden gebaseerd op artikel 59b Vw, maar terecht op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. De rechtbank oordeelt dat de verwijzing van eiser naar de Vreemdelingencirculaire niet meer van toepassing is sinds de wetswijziging van 12 juni 2026.

Verder is vastgesteld dat eiser zonder documenten uit België is binnengekomen, niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Deze feiten rechtvaardigen het onderduikrisico en daarmee de bewaring. De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat de maatregel proportioneel is, ondanks het verzoek van eiser om een lichter middel zoals borgsom, mede gelet op zijn onderduikrisico en de lopende asielprocedure.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.38208

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
3. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, A. Khabote als tolk en de gemachtigde van verweerder. Ook S. Notelaers (de partner van eiser) was aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser voert allereerst (samengevat) aan dat hij (op 9 juli 2026 en dus) tijdig beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 7 juli 2026 waarin zijn asielaanvraag is afgewezen en de voorzieningenrechter heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Uit die beschikking volgt dat eiser tijdens de behandeling van een voorlopige voorziening niet mag worden verwijderd. Daarom heeft eiser vanaf 9 juli 2026 rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h van de Vw. Artikel 59b van de Vw is om die reden volgens eiser de juiste grondslag voor de maatregel van bewaring. Daarvoor verwijst eiser naar paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser op 2 juli 2026 een asielaanvraag heeft gedaan, die hij vervolgens op 6 juli 2026 (expliciet) heeft ingetrokken. Desondanks [2] heeft verweerder met de beschikking van 7 juli 2026 deze asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond [3] . Op 9 juli 2026 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de rechtsmiddelenclausule van de betreffende beschikking staat onder meer: “
Tijdens de behandeling van een voorlopige voorziening die u op tijd hebt ingediend, mag u niet worden verwijderd uit Nederland.”
6. Vervolgens overweegt de rechtbank dat een vreemdeling (sinds 12 juni 2026) in bewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b van de Vw wanneer sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw. Omdat op 7 juli 2026 is beslist op de asielaanvraag van eiser, is nu onderdeel h, subonderdeel 2°, van belang. Daarin staat dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven tot op het beroepschrift is beslist. Omdat nu nog niet is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening, is van die laatste situatie nog geen sprake. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er ook geen sprake is van de (eerste) situatie van artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening. Uit rechtsoverweging 5 volgt namelijk dat de situatie van artikel 68, derde lid, aanhef en onder a, subonderdeel i, van de Procedureverordening van toepassing is: de asielaanvraag van eiser is immers met toepassing van (de versnelde procedure van) artikel 42, eerste lid, afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van artikel 8 aanhef Pro en onder (f, subonderdeel 2°, dan wel) h, subonderdeel 2°, van de Vw nadat op 7 juli 2026 is beslist op zijn asielaanvraag. Verweerder kon eiser daarom niet langer in bewaring houden op grond van artikel 59b van de Vw. Verweerder heeft vervolgens terecht artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, als grondslag gebruikt voor de onderhavige maatregel van bewaring. Dat eiser niet mag worden verwijderd tijdens de behandeling van het (tijdig ingediende) verzoek om voorlopige voorziening, maakt het voorgaande niet anders. Dit levert namelijk enkel een (tijdelijke) verwijderingsbelemmering op, maar geen (tijdelijk) rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 59b van de Vw. [4] Tot slot merkt de rechtbank nog op dat de verwijzing van eiser naar paragraaf A5/6.3 van de Vc ziet op de juridische situatie vóór 12 juni 2026, terwijl die juridische situatie thans niet meer van toepassing is (in ieder geval niet in dit beroep, waarin de maatregel daarná is opgelegd). De beroepsgrond over de grondslag slaagt niet.
7. Eiser voert verder aan dat verweerder, in afwachting van het rechterlijk oordeel over zijn aanspraak op internationale bescherming, eiser niet mag uitzetten en ook geen terugkeerhandelingen mag verrichten. Eiser mag immers op dit moment niet uitgezet worden. Door het aanvragen van de laissez-passer (lp) op 10 juli 2026 verricht verweerder wel een terugkeerhandeling.
8. De rechtbank overweegt dat in deze procedure enkel de maatregel van bewaring ter toetsing voorligt. De uitzetting naar Tunesië ligt niet ter beoordeling voor en dat wordt in een aparte beroepsprocedure getoetst. Daarop is nog niet beslist. Uit de Afdelingsuitspraak van 19 november 2025 [5] volgt verder dat verweerder wel een lp mag aanvragen indien de asielprocedure van een vreemdeling nog niet definitief is afgerond. Daarnaast volgt uit artikel 61, tweede lid, van de Vw dat van de vreemdeling medewerking gevorderd kan worden aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland, ook als de werking van de beschikking, waarbij de aanvraag is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, is opgeschort. Eisers beroepsgrond over de terugkeerhandelingen hangende zijn beroep tegen het besluit van 7 juli 2026 slaagt daarom ook niet. Het maakt in ieder geval niet dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
9. Verweerder heeft op 8 juli 2026 aan eiser de onderhavige maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a en e heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en c samen met de niet betwiste gronden p en r in ieder geval juist zijn en (voor zover nodig) voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Eiser is immers zonder documenten uit België ingereisd, heeft zich vervolgens niet gemeld en is ‘toevallig’ aangetroffen omdat hij werd aangehouden. In de maatregel is voldoende toegelicht – mede gelet op zijn wisselende verklaringen – dat grond a feitelijk juist is. Eiser stelt verder wel over documenten te beschikken, maar ook dat hij deze heeft verstopt. Hij heeft deze echter op geen enkel moment overgelegd. Ook heeft eiser geen aantoonbare activiteiten ondernomen om aan zijn documenten te komen. Grond c is daarom ook feitelijk juist. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden (a, c, p en r) en de daarbij gegeven motivering en toelichting de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen, nu deze gronden voldoende zijn om ten aanzien van eiser een onderduikrisico aan te nemen. Gelet hierop hoeft grond e geen bespreking.
11. Ten slotte stelt eiser dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser is, in tegenstelling tot wat in de uitspraak van 13 juli 2026 [6] overwogen is, bereid tot het stellen van een borgsom ter hoogte van het bij hem aangetroffen bedrag van € 4.339,05. Daarnaast heeft eiser een relatie en zijn vriendin is zwanger. De combinatie van een borgsom die reeds onder de overheid berust, een (zwangere) partner die zich heeft gemeld en een asielprocedure waarvan eiser de uitkomst in Nederland mag afwachten, maakt dat met een minder dwingende maatregel kan worden volstaan
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geen lichter middel heeft toegepast. [7] Dat is in de maatregel voldoende gemotiveerd. Voorop staat dat uit de gronden en de toelichting daarbij een onderduikrisico volgt. Van belang hierbij is verder onder meer dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil terug keren naar Tunesië, maar bij zijn vriendin in België wil verblijven. Eiser beschikt momenteel echter niet over documenten waarmee hij legaal de grens over mag steken, heeft ook in België geen rechtmatig verblijf en aan eiser is bovendien een terugkeerbesluit opgelegd dat ziet op Tunesië. Eisers begrijpelijke wens om in vrijheid te worden gesteld om bij zijn partner te verblijven, is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het nog steeds bestaande onderduikrisico dan ook geen omstandigheid die voor verweerder op dit moment aanleiding had moeten zijn voor een lichter middel. In de maatregel is dat betrokken en alleen de verklaring in beroep van zijn partner over hun relatie is daarvoor niet genoeg. Eiser wijst er weliswaar ook op dat hij nog een asielprocedure heeft lopen (het beroep tegen de beslissing van 7 juli 2026), maar dat weegt niet zwaar genoeg om toch tot een lichter middel over te moeten gaan. Van belang is daarbij ook dat bewaring voor zijn (huidige) situatie juist mogelijk is gemaakt. Overigens heeft eiser de asielaanvraag zelf in eerste instantie ingetrokken. Ook het feit dat eiser zich nu expliciet bereid verklaard tot het stellen van een borgsom, maakt het voorgaande niet anders en leidt – in het licht van het onderduikrisico – op dat punt niet tot een ander oordeel dan al is gegeven in de uitspraak in het beroep tegen de eerdere maatregel. Verder zijn geen andere omstandigheden gesteld en ook niet gebleken die maken dat de vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. In de maatregel is onder meer voldoende aandacht geweest voor zijn medische situatie en wat hij daarover heeft verklaard.
13. De rechtbank heeft ook ambtshalve de overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en concludeert dat de bewaring in de te toetsen periode niet onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
2.Zie ook artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348).
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw en met toepassing van artikel 42, eerste lid, van de Procedureverordening.
4.Voor de volledigheid wijst de rechtbank nog op artikel 82, eerste en tweede lid, van de Vw, waaruit volgt dat geen sprake is van opschortende werking van een beroep in de situatie van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening. Verder wijst de rechtbank (eveneens voor de volledigheid) op artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin (kort gezegd) staat dat eiser niet mag worden verwijderd tijdens de behandeling van zijn (tijdig) ingediende verzoek om voorlopige voorziening.
6.Zaaknummer: NL26.36939.
7.De rechtbank wijst ook naar de uitgebreide beoordeling hiervan in het beroep tegen de voorgaande maatregel (NL26.36939, ECLI:NL:RBDHA:2026:19587).