ECLI:NL:RBDHA:2026:20246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30925
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 8:57 Algemene wet bestuursrechtArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 18 december 2025 een asielaanvraag in bij de Nederlandse minister van Asiel en Migratie. De minister nam de aanvraag op 2 juni 2026 niet in behandeling, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser stelde dat overdracht aan Frankrijk onevenredige hardheid zou opleveren en verwees naar een situatie van een landgenoot die in Frankrijk problemen ondervond.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bijzondere, individuele omstandigheden aanwezig zijn die overdracht aan Frankrijk onredelijk maken. De verwijzing naar de landgenoot is onvoldoende en de overgelegde intrekkingsverklaring biedt geen bewijs dat de Franse autoriteiten eiser geen bescherming kunnen bieden. Daarnaast is niet betwist dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt en dat eiser zich bij problemen tot de Franse autoriteiten kan wenden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vordering af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.S. Gaastra en griffier I.S. Pruijn op 17 juli 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 december 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening moeten toepassen?
4. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken, omdat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Hij voert aan dat hij zich in Frankrijk niet tot de Franse autoriteiten kan wenden indien hij daar problemen ondervindt van de autoriteiten van de Centraal-Afrikaanse Republiek, zijn land van herkomst. Ter onderbouwing wijst eiser op de situatie van een landgenoot. Volgens eiser heeft deze landgenoot op 30 april 2025 een klacht ingediend bij de rechtbank in Nantes. Vervolgens zou zijn dochter in Bangui zijn ontvoerd, waarbij de ontvoerders hebben geëist dat de klacht tegen hun Franse vrienden werd ingetrokken. Volgens eiser heeft de landgenoot daarop zijn klacht ingetrokken om zijn familie te beschermen. Eiser heeft een kopie van deze intrekkingsverklaring overgelegd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot onevenredige hardheid. De minister stelt in het bestreden besluit zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daar niet in is geslaagd. De verwijzing in beroep naar de situatie van zijn landgenoot is daarvoor onvoldoende. Nog daargelaten dat deze gestelde gebeurtenissen geen betrekking hebben op de persoonlijke situatie van eiser, biedt de overgelegde intrekkingsverklaring daarvoor onvoldoende steun, nu daaruit niet blijkt dat de Franse autoriteiten eiser geen bescherming kunnen of willen bieden.
4.2.
Voor zover eiser met deze beroepsgrond betoogt dat in Frankrijk structureel geen effectieve bescherming kan worden verkregen, ziet dit op de vraag of Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt en of voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat daarvan kan worden uitgegaan. [4] Eiser heeft dit ook niet betwist. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hem niet willen of kunnen helpen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Die stond in de Dublinverordening. Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
4.Zie ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.