ECLI:NL:RBDHA:2026:20249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL25.56961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.51 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 EVRMArt. 12 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor oud-Nederlanders uit Suriname

Eisers, geboren in Suriname toen het nog onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel humanitair niet-tijdelijk. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat eisers niet onder het wedertoelatingsbeleid vallen omdat dit beleid alleen geldt voor oud-Nederlanders geboren en getogen in het huidige Europese Nederland. De afwijzing van de aanvraag leidt niet tot directe of indirecte discriminatie, aangezien de nationaliteitskwestie bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 is geregeld en geen verboden onderscheid oplevert.

Verder is Nederland niet het eigen land van eisers in de zin van artikel 12, vierde lid, IVBPR, omdat de banden met Suriname sterker zijn. Ook is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met hun meerderjarige dochter in Nederland, zodat geen beschermenswaardig familieleven bestaat. Eisers hoefden niet te worden gehoord in bezwaar, omdat hun medische situatie onvoldoende was geconcretiseerd en een hoorzitting geen andere uitkomst zou hebben gegeven.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56961

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer 1] , en
[eiseres] ,eiseres
V-nummer: [nummer 2]
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting

1. Eisers wonen in Suriname en willen graag naar Nederland komen. Zij hebben daarvoor een aanvraag ingediend. Verweerder heeft deze afgewezen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal argumenten aan, die heten de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers niet vallen onder het wedertoelatingsbeleid en dat de afwijzing van de aanvraag geen directe of indirecte (verboden) discriminatie oplevert. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat Nederland niet het ‘eigen land’ is van eisers. Verder mocht verweerder het standpunt innemen dat niet is gebleken dat eisers meer dan gebruikelijk afhankelijk zijn van hun meerderjarige dochter in Nederland. De rechtbank is ook van oordeel dat eisers niet hoefden te worden gehoord in bezwaar. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 17 november 2024 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2025 afgewezen. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de dochter van eisers [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser is geboren op [datum 1] 1947 en eiseres is geboren op [datum 2] 1951. Zij hebben beiden de Surinaamse nationaliteit. Eisers zijn getrouwd. Eisers hun dochter [naam] , en hun twee andere dochters, wonen in Nederland. Eisers zijn geboren in Suriname toen dat nog onderdeel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden en hebben tot de onafhankelijkheid in 1975 de Nederlandse nationaliteit gehad.
Besluit van verweerder
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden uit artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en dat er geen sprake is van discriminatie tussen oud-Nederlanders, geboren en getogen in Nederland en oud-Nederlanders, geboren en getogen in Suriname. Eisers zijn geen oud-Nederlanders die op het huidige Nederlandse grondgebied zijn geboren en getogen. Eisers hebben op grond van de Toescheidingsovereenkomst [1] in 1975 de Surinaamse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [2]
4.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Voldoen eisers aan de voorwaarden van het wedertoelatingsbeleid?
5. Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, omdat zij vallen onder het wedertoelatingsbeleid uit artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb. Daaruit blijkt dat oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Uit paragraaf B9/2.1 van de Vreemdelingencirculaire volgt dat ‘in Nederland zijn geboren en getogen’ inhoudt dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen. Eisers zijn geboren en getogen in Nederland, want voor 1975 was het gebied waarin zij woonden Nederland. Uit de tekst van het Vb blijkt niet dat het moet gaan om het Europese of huidige Nederland.
5.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat met ‘Nederland’ in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb, het Koninkrijk der Nederlanden in Europa wordt bedoeld. Hierbij heeft verweerder kunnen verwijzen naar artikel 1.1 van het Vb en de wetsgeschiedenis van het Vb. Verweerder heeft daarbij gewezen op de uitspraak van 17 juni 2008, [3] waarin wordt benoemd dat in het oude beleid expliciet was opgenomen dat het ging om vreemdelingen die op het Nederlandse grondgebied van het Koninkrijk in Europa waren geboren en getogen. De achterliggende gedachte was dat alleen degenen die in dat deel van het Koninkrijk waren geboren en opgegroeid, geacht konden worden een sterke binding met Nederland (in zijn huidige vorm) te hebben behouden. De regelgeving die nu geldt, moet worden beschouwd als de directe opvolger van dit beleid. De geschiedenis van de totstandkoming van de huidige regelgeving bevat geen indicaties dat op dit punt een wijziging is beoogd. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat met het weglaten van de toevoeging "van het Koninkrijk binnen Europa" een materiële wijziging zou zijn beoogd, in die zin dat nu ook in vroegere overzeese gebiedsdelen geboren en getogen oud-Nederlanders vallen onder het bereik van het huidige wedertoelatingsbeleid. Het is aannemelijk dat die toevoeging, gelet op de afgenomen relevantie door het verstrijken van de jaren, overbodig is bevonden en daarom is weggelaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt de weigering van een mvv tot directe of indirecte discriminatie?
6. Eisers stellen dat het weigeren van een mvv “humanitair niet-tijdelijk” op grond van het wedertoelatingsbeleid, verboden discriminatie oplevert. Er is sprake van directe discriminatie op grond van geboorteplaats. Daarnaast is er sprake van indirecte discriminatie op grond van ras en afkomst, omdat Surinamers worden uitgesloten van het wedertoelatingsbeleid en dit vooral niet-witte mensen van een bepaalde afkomst treft. Eisers verwijzen ter onderbouwing van hun stelling naar de opiniestukken van Radboud Law Clinic on Human Rights [4] en van VU Migration Law Clinic. [5]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van discriminatie. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van oud-Nederlanders van Surinaamse afkomst niet vergelijkbaar is met de situatie van oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in het huidige Nederland, en die wél een beroep kunnen doen op het wedertoelatingsbeleid. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat de Toescheidingsovereenkomst in 1975 de afspraken tussen Suriname en Nederland heeft geregeld over het verkrijgen van de Surinaamse of Nederlandse nationaliteit. Daarin is, kortweg, opgenomen dat personen die in Suriname hun woonplaats of werkelijk verblijf hadden, de Surinaamse nationaliteit kregen. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit had tot gevolg dat deze personen hun Nederlandse nationaliteit verloren. De rechtbank ziet hierin geen grond om tot het oordeel te komen dat daarbij een verboden onderscheid werd gemaakt. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt ging het in deze situatie namelijk niet om (nationale) afstamming, maar om een nationaliteitskwestie, die bij de onafhankelijkheid van Suriname is geregeld. Gelet hierop is er volgens de rechtbank geen sprake van directe discriminatie naar geboorteplaats, of indirecte discriminatie naar ras of afkomst. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de weigering van de mvv in strijd met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR [6] ?
7. Eisers stellen dat de weigering van de mvv in strijd is met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, waarin is opgenomen dat niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om zijn eigen land te betreden. Volgens eisers heeft dit artikel rechtstreekse werking en kan daaruit verblijfsrecht voortvloeien. Eisers zijn in Nederland geboren en getogen. Na de onvrijwillige ontneming van hun Nederlandse nationaliteit in 1975 is Nederland niet opgehouden hun 'eigen land' in de zin van dat artikel te zijn, want de ontneming was tegen hun wil en willekeurig. Eisers spreken Nederlands en hebben hun drie dochters en veel andere familieleden in Nederland wonen. Eisers zijn vijftien keer naar Nederland gekomen en verbleven steeds voor een periode van twee maanden in Nederland. Eisers hebben daarom een dusdanige sterke band met Nederland dat Nederland hun eigen land is. Eisers verwijzen naar General Comment no. 27 van het VN mensenrechtencomité, waaruit blijkt dat niet de toegang tot het eigen land mag worden ontzegd door bijvoorbeeld de nationaliteit te ontnemen in strijd met internationale standaarden. Er zijn geen redenen die een uitzetting of verblijfsweigering kunnen rechtvaardigen.
7.1.
Daargelaten of het bepaalde in artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, rechtstreekse werking toekomt en daaruit een verblijfsrecht kan voortvloeien, komt de rechtbank tot het oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit General Comments no. 27 volgt dat een ‘eigen land’ niet alleen hoeft te zien op het land waarvan iemand de nationaliteit heeft. Echter geldt daarbij wel een hoge drempel, waarbij er dusdanig sterke banden met dat land moeten zijn om van ‘eigen land’ te kunnen spreken. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat niet is voldaan aan deze maatstaf. Hoewel eisers hun dochters en andere familieleden in Nederland hebben wonen en zij geregeld voor langere tijd bij hen op bezoek gaan, is de rechtbank van oordeel dat deze banden met Nederland niet kunnen worden aangemerkt als sterke banden met Nederland en dat Nederland voor eisers niet als ‘eigen land’ kan worden beschouwd. De banden van eisers met Suriname zijn vele malen sterker nu zij daar zijn geboren en hun hele leven al wonen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van beschermenswaardig familieleven?
8. Eiseres voeren aan dat zij hulpbehoevend en door medische omstandigheden afhankelijk zijn van de zorg en emotionele steun van hun kinderen, waaronder hun in Nederland wonende dochter [naam] . Er is daarom sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dus van familieleven. Verweerder heeft een onjuist toetsingskader toegepast bij deze beoordeling. In jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is geen sprake van cumulatieve vereisten. Banden met het land van herkomst zijn niet relevant voor de toets of sprake is van familieleven, maar alleen in de belangenafweging. Verweerder heeft geen contra-expertise overgelegd, zodat van de juistheid van de medische verklaring moet worden uitgegaan.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM is voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en hun niet-jongvolwassen meerderjarige kinderen vereist dat bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, zodat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. [7] Hierbij kunnen de volgende factoren van belang zijn: of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de genoemde factoren bij de beoordeling heeft mogen betrekken. Verweerder heeft daarbij kunnen tegenwerpen dat eisers niet samenwonen met hun meerderjarige dochter [naam] en dat niet gebleken is van financiële of emotionele afhankelijkheid. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de gezondheid van eisers vooralsnog geen aanleiding geeft om tot meer dan gebruikelijke afhankelijkheid te concluderen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat in de door eisers overgelegde medische verklaring op geen enkele wijze is gespecificeerd wat nu exact de medische klachten of ziekten zijn, waaraan eisers zouden lijden en waarom dit tot zorgafhankelijkheid van de dochter zou leiden. Hieruit is daarom ook geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met hun dochter [naam] of andere kinderen af te leiden. Ten slotte heeft verweerder, anders dan eisers betogen, ook de banden van eisers met Suriname bij de beoordeling van de gestelde meer dan gebruikelijke afhankelijkheid kunnen betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder rekening moeten houden met het arrest Jeunesse?
9. Eisers hebben een beroep gedaan op het arrest Jeunesse [8] omtrent de niet uitgevoerde belangenafweging, maar ook gewezen op de algemene overwegingen van het EHRM over hoe om te gaan met Surinaamse ex-Nederlanders.
9.1.
De rechtbank komt niet toe aan bespreking van deze beroepsgrond, omdat deze thuishoort in een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Er is echter terecht geen belangenafweging gemaakt omdat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in het kader van artikel 8 EVRM Pro.
Had verweerder eisers in bezwaar moeten horen?
10. Eisers stellen dat zij ten onrechte niet zijn gehoord. Eisers hebben een verklaring overgelegd van een arts waarin staat dat eisers hulpbehoevend zijn en afhankelijk zijn van de zorg en emotionele steun van hun kinderen. Eisers stellen dat verweerder hen had moeten horen in bezwaar naar aanleiding van deze verklaring van de arts. Dan hadden eisers bijvoorbeeld nog een nadere toelichting kunnen geven. Verder stellen eisers dat verweerder hen had moeten horen in het kader van artikel 12, vierde lid van het IVBPR. Eisers wijzen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022. [9]
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit de Afdelingsuitspraak van 6 juli 2022 blijkt dat het uitgangspunt is dat verweerder vreemdelingen in bezwaar hoort en dat verweerder terughoudend omgaat met uitzonderingen op de hoorplicht. Daarbij geldt dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt.
10.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder in dit specifieke geval van het horen heeft kunnen afzien en motiveert dat als volgt. De rechtbank stelt vast dat eisers een medische verklaring hebben overgelegd van een arts die verklaart dat eisers bekend zijn met chronische ziekten en daarmee gepaard gaande acute en chronische klachten, dat eisers hulpbehoevend zijn, en afhankelijk zijn van de zorg en emotionele steun van hun kinderen. Eisers hebben nagelaten om in bezwaar (en beroep) de chronische ziekten en klachten te concretiseren door bijvoorbeeld een aanvullende medische verklaring, terwijl dit wel van hen verwacht kon worden gezien het standpunt dat sprake is van medische afhankelijkheid, te meer nu zij professionele bijstand hebben en ook in bezwaar hadden. Eisers stellen in beroep dat zij bij een hoorzitting de medische verklaring hadden willen toelichten, maar de rechtbank merkt op dat eisers geen medici zijn en dus ook in dat geval een concrete onderbouwing van de medische situatie zou ontbreken. Pas als de medische situatie voldoende zou zijn geconcretiseerd en onderbouwd, kan worden beoordeeld of eisers daarom afhankelijk zijn van hun dochter als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Daarnaast is in bezwaar niet verzocht om een hoorzitting, terwijl er zoals gezegd sprake is van een professionele gemachtigde. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat van het maken van een individuele belangenafweging - zoals specifiek genoemd in de Afdelingsuitspraak, zie hiervoor onder punt 10.1 - in dit geval geen sprake is, omdat er geen familieleven is aangenomen.
10.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat verweerder hen had moeten horen in het kader van artikel 12, vierde lid van het IVBPR. Over de feitelijke invulling van de banden van eisers met Nederland bestond immers geen onduidelijkheid. Eisers hebben drie dochters en andere familieleden in Nederland en zij gaan daar geregeld voor langere tijd op bezoek. Niet is gesteld of gebleken dat een hoorzitting tot een andere feitelijke invulling van de banden zou leiden. De rechtbank ziet daarom reden om verweerders standpunt te volgen dat in dit geval een hoorzitting niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag mocht afwijzen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, voorzitter, en mr. L.M. Kos en mr. J.L. Roubos, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Paramaribo, 25-11-1975. Trb. 1975,132.
2.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
3.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7252.
4.Van december 2022 “The right to legal residence and the colonial past: are former Dutch citizens born in Suriname discriminated as compared to former Dutch citizens born in other (Western) countries?”.
5.Van 13 april 2023, ““Foreigners in their Own Country: Undocumented and Unrecognised The Netherlands’ Legal Obligations Regarding the Regularisation of Ex Dutch Surinamese Individuals Living Undocumented in the Netherlands”.
6.Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
7.EHRM 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907 (Onur v. United Kingdom).
8.Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810).