Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.J. de Lange, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting en verklaart het ongegrond. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt, ondanks de door eiser aangevoerde problemen in de Franse asielopvang en het aangehaalde AIDA-rapport 2025.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van dermate ernstige en structurele tekortkomingen in Frankrijk die een onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht rechtvaardigen. Ook het beroep op het M.S.S.-arrest en het M.K.-arrest leidt niet tot een ander oordeel. Eiser had bovendien geen concrete informatie aangeleverd die het vertrouwensbeginsel zou ondermijnen.
De rechtbank wijst erop dat het aan eiser is om klachten over opvang in Frankrijk bij de Franse autoriteiten in te dienen, en dat het niet aannemelijk is dat dit onmogelijk of zinloos is. Het beroep wordt daarom afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.