ECLI:NL:RBDHA:2026:20250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.30976
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting en verklaart het ongegrond. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt, ondanks de door eiser aangevoerde problemen in de Franse asielopvang en het aangehaalde AIDA-rapport 2025.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van dermate ernstige en structurele tekortkomingen in Frankrijk die een onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht rechtvaardigen. Ook het beroep op het M.S.S.-arrest en het M.K.-arrest leidt niet tot een ander oordeel. Eiser had bovendien geen concrete informatie aangeleverd die het vertrouwensbeginsel zou ondermijnen.

De rechtbank wijst erop dat het aan eiser is om klachten over opvang in Frankrijk bij de Franse autoriteiten in te dienen, en dat het niet aannemelijk is dat dit onmogelijk of zinloos is. Het beroep wordt daarom afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Frankrijk ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiser heeft namelijk voldoende aanwijzingen gegeven dat er in Frankrijk sprake is van dermate structurele en ernstige problemen in de asielopvang dat hier niet meer vanuit kan worden gegaan met de door hem ingebrachte, niet betwiste verklaringen over wat hij zelf in Frankrijk heeft meegemaakt en het door hem aangehaalde AIDA-rapport van juni 2025. [3] De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit onvoldoende zou zijn. De minister had naar aanleiding hiervan in ieder geval nader onderzoek moeten doen naar de vraag of de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen wel nakomen. Eiser wijst op het M.S.S.-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). [4] In het licht van dat arrest is ook ten onrechte is gesteld dat eiser bij de Franse autoriteiten zou moeten klagen. Bovendien kan van eiser niet worden gevergd dat hij bij de Franse autoriteiten klaagt, gelet op het feit dat dit door de omvang van de opvangproblematiek niet kansrijk is. Eiser wijst in dit verband op het M.K.-arrest van het EHRM. [5]
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij voor Frankrijk uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit blijkt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waar de minister ook terecht naar heeft verwezen. [6] Ook in recente uitspraken van de Afdeling is dit nogmaals bevestigd. [7] Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat er problemen zijn in de Franse asielopvang, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Het AIDA-rapport waar eiser naar heeft verwezen, is namelijk al bij de bovengenoemde rechtspraak betrokken. Ook heeft de minister de verklaringen van eiser dat hij in Frankrijk geen opvang heeft gekregen, op straat moest overleven en zelf voor onderdak moest zorgen hiertoe terecht onvoldoende gevonden. Los van het feit dat dit de enkele verklaringen van eiser zijn, blijkt uit het feit dat dit eiser is overkomen nog niet dat er sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in de Franse asielopvang. De rechtbank is het met de minister eens dat als eiser in Frankrijk problemen ondervindt met de opvang, het op zijn weg ligt om daarover te klagen bij de Franse autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Eisers beroep op het M.S.S.-arrest maakt dit niet anders. Uit het voorgaande blijkt immers dat er – in tegenstelling tot de situatie die ten tijde van dat arrest in Griekenland aan de orde was – geen reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht aan Frankrijk. Ook het beroep van eiser op het M.K.-arrest leidt niet tot een ander oordeel. Die zaak ging namelijk over een specifieke, individuele situatie waarin de Franse autoriteiten geen noodhuisvesting verstrekten aan een vrouw en haar dochters, terwijl ze daar volgens rechterlijke uitspraken wel recht op hadden. Hieruit blijkt niet dat klagen door een Dublinterugkeerder over het (mogelijk) uitblijven van opvang in Frankrijk in zijn geheel niet effectief is. Ten slotte heeft de minister, gelet op het voorgaande, ook geen nader onderzoek hoeven doen naar de naleving van internationale verplichtingen door Frankrijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
3.AIDA Country Report: France (Update on 2024), pagina’s 21 en 121-128.
4.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.
5.EHRM 8 december 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918.
6.ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
7.ABRvS 13 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:786, ABRvS 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1443.