ECLI:NL:RBDHA:2026:20257

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL25.47409
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:33 BWArt. 237 SrArt. 3.14 VbArt. 3.16 VbArt. 5 lid 5 Richtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning voor kind uit polygame situatie wegens strijd met openbare orde

Eiser 1, een vijfjarige jongen uit Syrië, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn vader, referent, in Nederland te mogen verblijven. Referent is getrouwd met twee vrouwen, wat in Nederland als polygamie wordt beschouwd en verboden is. De eerste echtgenote van referent is toegelaten tot Nederland, maar de aanvraag voor eiser 1 en de tweede echtgenote is afgewezen vanwege strijd met de openbare orde.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de polygame situatie tegenwerpt en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Er is onvoldoende gebleken dat het in het belang van eiser 1 is om bij zijn vader in Nederland te verblijven, mede omdat zij elkaar nooit hebben ontmoet en het kind momenteel bij familie in Syrië verblijft.

Verweerder heeft de belangen van eisers voldoende meegewogen en hoefde referent niet te horen in bezwaar omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een andere uitkomst konden leiden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser 1 krijgt geen verblijfsvergunning.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning voor het kind vanwege de polygame situatie en onvoldoende belangenafweging in het voordeel van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47409

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1, ook aangeduid als het kind,

V-nummer: [nummer] ,
en
[eiser 2] ,eiser 2, ook aangeduid als referent en de vader,
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser 1, een vijfjarige jongen uit Syrië. Zijn vader wil dat hij bij hem komt wonen in Nederland. Verweerder staat dat niet toe. Referent heeft twee echtgenotes. Eiser 1 is geboren uit het tweede huwelijk. Omdat polygamie verboden is in Nederland, en referent ervoor heeft gekozen om zijn eerste vrouw te laten nareizen, komt de tweede echtgenote en daarmee hun kind, niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal argumenten (beroepsgronden) aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder mag tegenwerpen dat referent met twee vrouwen is getrouwd. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met alle genoemde belangen van eisers. Er is niet gebleken dat het in eiser 1 zijn belang is om bij zijn vader in Nederland te verblijven. Verweerder heeft referent in bezwaar niet hoeven horen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser 1 heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn vader te mogen verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van [datum 2] 2025 afgewezen. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Referent is - zonder bericht - niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser 1 is geboren op [datum 1] 2021 en heeft de Syrische nationaliteit. De mvv-aanvraag is ingediend door referent. Hij is geboren op [datum 2] 1990 en heeft de Syrische nationaliteit.
3.1.
Referent is op [datum 3] 2013 getrouwd met [naam 1] , zijn eerste echtgenote. Zij is geboren op [datum 4] 1993 en heeft de Syrische nationaliteit. Referent is op [datum 5] 2020 getrouwd met [naam 2] , zijn tweede echtgenote. Zij is geboren op [datum 6] 2001 en heeft ook de Syrische nationaliteit. Met [naam 2] heeft referent een zoon gekregen, dat is eiser 1.
3.2.
Referent is op 19 september 2021 in Nederland gekomen en heeft later in Nederland internationale bescherming gekregen. Referent heeft voor zijn eerste echtgenote [naam 1] , en eiser 1 op 2 juni 2022 mvv-aanvragen ingediend in het kader van nareis. Op verzoek van referent is de aanvraag van [naam 1] eerst en afzonderlijk behandeld. Deze aanvraag is ingewilligd. Referent heeft ervoor gekozen om [naam 1] eerst over te laten komen. Eiser 1 verblijft volgens referent momenteel bij de moeder van referent in Syrië.
Besluit van verweerder
4. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het volgende standpunt gesteld. Verweerder acht de identiteit van eiser 1 en zijn familierechtelijke relatie met referent aannemelijk. De aanvraag voor de eerste echtgenote van referent is ingewilligd. Omdat referent eveneens getrouwd is met [naam 2] , is er sprake van een polygame situatie. Dat is in strijd met de openbare orde. Daarom kunnen zowel [naam 2] als eiser 1 niet in aanmerking komen voor nareis op grond van artikel 3.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B7/3.1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Er wordt niet getoetst aan artikel 8 EVRM Pro [1] , daarvoor moeten eiser 1 en referent een aparte aanvraag indienen.
4.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder benoemd dat alle relevante belangen in de beoordeling moeten worden meegewogen, maar dat die belangen de uiteindelijke uitkomst niet anders maken. Referent heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij inmiddels van [naam 2] gescheiden is, zodat er nog steeds sprake is van polygamie. Verweerder kent in de belangenafweging zwaar gewicht toe aan het feit dat eiser 1 afkomstig is uit een polygame situatie en dit in strijd is met de openbare orde. Er zijn geen andere bijzondere omstandigheden waardoor de aanvraag ondanks de polygamie toch ingewilligd moet worden. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard.
Mag verweerder de polygame situatie tegenwerpen?
5. Eisers stellen dat er in Nederland niet zo veel in strijd is met de openbare orde en dat er niet wordt ingegrepen bij polyamoureuze gezinsconstructies. Daarnaast is polygamie iets tussen de ouders van eiser 1. Hij mag niet worden gediscrimineerd op grond van de status van zijn ouders. Verder is niet gemotiveerd dat door het toestaan van verblijf van eiser 1 in Nederland een polygame situatie en strijd met de openbare orde zou ontstaan. Eiser 1 woont niet meer bij zijn moeder en er is geen mvv aangevraagd voor haar.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 december 2013 [2] , 31 januari 2020 [3] en 13 oktober 2022 [4] , volgt dat polygamie naar algemene in Nederland heersende maatschappelijke opvattingen in strijd is met de goede zeden en de openbare orde. Dat blijkt onder andere uit het feit dat polygamie bij wet verboden is. In artikel 1:33 van Pro het Burgerlijk Wetboek is opgenomen dat een persoon tegelijkertijd slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Op grond van artikel 237 van Pro het Wetboek van Strafrecht is het strafbaar om opzettelijk een dubbel huwelijk aan te gaan. De door eisers gestelde verandering van de maatschappelijke opvatting over gezinsconstructies, zoals het tolereren van polyamorie in Nederland, laat onverlet dat polygamie in strijd is met de openbare orde. De gestelde veranderde maatschappelijke opvatting verandert daar niets aan. Anders dan eisers stellen, heeft deze reden voor afwijzing van de aanvraag ook betrekking op de kinderen geboren uit een tweede huwelijk, gelet op artikel 3.14 van het Vb. Hierbij is van belang dat vaststaat dat referent en zijn tweede echtgenote nog gehuwd zijn. Referent stelt dat hij van zijn tweede echtgenote wenst te scheiden, maar geeft ook aan dat de echtscheidingsprocedure vanwege de daaraan verbonden kosten nog niet gestart is. Daarom heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat sprake is van polygamie en inwilliging in strijd zou zijn met de openbare orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers?
6. Eisers stellen dat het belang van het kind niet of onvoldoende is betrokken in de belangenafweging. Het bestreden besluit stelt dat het ontstaan van een polygame situatie in Nederland niet in het belang van het kind is, maar onderbouwt en motiveert deze stelling niet. Eisers hebben in bezwaar aangevoerd dat het in het belang van het kind is om op te groeien bij zijn vader in plaats van bij een ander familielid dan zijn ouders. Dit klemt des te meer nu er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen; referent is immers in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. Een objectieve belemmering moet zwaar wegen in een belangenafweging maar die is helemaal niet meegewogen. Daarnaast is het besluit in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn [5] en artikel 24, derde lid, Handvest. [6] Het besluit getuigt ook niet van een door 8 EVRM vereiste “fair balance”.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het verbod op polygamie in het kader van de beoordeling van een mvv-aanvraag niet altijd de doorslag geeft. Verweerder dient bij aanvragen die in het kader van nareis zijn ingediend een individuele beoordeling te maken, waarbij hij rekening moet houden met alle factoren die in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de artikelen 7 en 24 van het Handvest zijn genoemd. Volgens de Afdelingsuitspraak van 13 oktober 2022 mag daarbij wel zwaar gewicht worden toegekend aan de polygame situatie.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder er in het bestreden besluit van uitgaat dat alle relevante belangen in de beoordeling moeten worden betrokken. Over dat uitgangspunt zijn partijen het eens. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder genoeg gewicht heeft toegekend aan de belangen van eisers. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de in bezwaar naar voren gebrachte belangen voldoende betrokken in het bestreden besluit. Hierbij heeft verweerder in eisers hun nadeel zwaar gewicht kunnen toekennen aan het feit dat eiser 1 afkomstig is uit een polygame relatie en dat polygamie in Nederland in strijd is met de openbare orde. Verweerder heeft daarbij kunnen opmerken dat niet is gebleken van een bijzondere of schrijnende situatie die maakt dat over de schending van de openbare orde en goede zeden heen moet worden gestapt. Verder is niet gebleken dat gezinsvorming tussen vader en kind, ondanks de polygame situatie, in het belang van eiser 1 zal zijn.
6.3.
Verder stelt de rechtbank vast dat referent in beroep heeft aangevoerd dat eiser 1 bij zijn oma verblijft, terwijl hij in bezwaar naar voren heeft gebracht dat eiser bij een tante verblijft. De uitleg dat dit een vertaalfout zou zijn, is voor de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk. Daar komt bij dat er geen enkele verklaring door eisers is overgelegd van derden, die de stelling van referent over de verblijfplaats van eiser 1 onderbouwt. Voorts heeft referent aangegeven dat eiser 1 “het niet verkeerd heeft” bij de moeder van referent. Over de moeder van eiser 1 heeft referent gesteld dat zij eiser 1 op enig moment bij de moeder van referent heeft gebracht, geen contactgegevens heeft achtergelaten en daarmee uit het leven van eiser 1 is verdwenen. Nadat de rechtbank heeft gevraagd om een toestemmingsverklaring van de moeder van eiser 1, is binnen enkele dagen door referent een toestemmingsverklaring ingebracht, waarvan niet valt vast te stellen van wie de handtekening is. Er zit geen identificerend document van de moeder van eiser 1 bij de toestemmingsverklaring. Gelet op de verklaring van referent dat contact al langere tijd ontbreekt tussen eiser 1, zijn moeder en de moeder van referent, heeft de rechtbank ter zitting nagevraagd hoe deze toestemmingsverklaring tot stand is gekomen en hoe het contact met de moeder van eiser 1 zo snel is gelukt. De advocaat van referent heeft daarover geen informatie kunnen verstrekken. Zelf heeft zij nooit contact met de moeder van eiser 1 gehad. Referent was zonder opgaaf van reden niet ter zitting aanwezig om vragen te kunnen beantwoorden.
6.4.
Referent heeft in algemene zin aangevoerd dat het in eiser 1 zijn belang is om bij zijn biologische vader op te groeien, maar dat is geenszins onderbouwd of geconcretiseerd Referent is niet ter zitting verschenen om het belang van eiser 1 om bij referent op te groeien, toe te lichten. Dat dient voor zijn risico te blijven. In dit kader acht de rechtbank relevant dat eiser 1 en referent elkaar nooit in levende lijve hebben gezien of in gezinsverband hebben samengewoond. Ter zitting is immers gebleken dat referent op 23 juni 2021 Syrië heeft verlaten en eiser is op [datum 1] 2021 geboren. Daarnaast gaat de rechtbank er bij gebrek aan andersluidende informatie vanuit dat de moeder van eiser 1 nog in Syrië woont. Niet is onderbouwd dat zij niet voor eiser 1 zorgt of daartoe niet in staat is. Er is geen verklaring van eiser 1 zijn moeder waarin dit staat vermeld. Daarnaast heeft eiser 1 volgens referent nog meer familieleden in Syrië wonen, waaronder zijn oma, en is niet gebleken dat het niet in eiser 1 zijn belang is om bij hen of zijn moeder te verblijven en door hen verzorgd te worden in het land waar hij geboren en getogen is. Gelet op al deze omstandigheden legt de objectieve belemmering onvoldoende gewicht in de schaal om de belangenafweging ondanks de polygame situatie toch in het voordeel van referent te laten uitvallen. De rechtbank ziet geen aangevoerde belangen van eisers die niet voldoende zijn betrokken en tot het oordeel hadden moeten leiden dat bij de weigering van de gevraagde mvv onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eisers.
6.5.
De rechtbank volgt eisers ook niet in de stelling dat de aanvraag niet kon worden geweigerd wegens het bepaalde artikel 24, derde lid, van het Handvest. Uit dat artikel blijkt dat ieder kind er recht op heeft om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist. In het geval van eiser 1 wonen zijn ouders in andere landen en is het dus niet mogelijk om fysiek met beide ouders samen te leven. Vast staat dat eiser 1 nimmer in levende lijve zijn vader heeft ontmoet. Volgens referent onderhoudt hij via beeldbellen contact met eiser 1. Over de persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten tussen eiser en zijn moeder is niets bekend, een verklaring hierover ontbreekt. Onder deze omstandigheden levert een weigering van de aanvraag geen strijd met artikel 24, derde lid van het Handvest op omdat over de belangen van eiser 1 te weinig bekend is. Het is zelfs niet ondenkbaar dat vergunningverlening en nareis juist indruist tegen de belangen van eiser 1. Daarnaast blijkt niet uit dit artikel dat fysieke aanwezigheid nodig is om persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met een ouder te onderhouden.
Had verweerder referent moeten horen in bezwaar?
7. Eisers stellen, onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 6 juli 2022 [7] , dat verweerder eisers had moeten horen in bezwaar. Er spelen 8 EVRM-aspecten en het bezwaarschrift was gemotiveerd. Daarnaast wordt in het bestreden besluit erkend dat het primaire besluit onzorgvuldig is, waardoor het bezwaar dus niet kennelijk ongegrond was.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen van referent kon afzien. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen vinden omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd, niet tot een andere conclusie kon leiden dan verwoord in het primaire besluit. In bezwaar is namelijk niet aangevoerd dat geen sprake zou zijn van een polygame situatie, dan wel dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat het oordeel anders had moeten uitvallen. Verweerder heeft hierbij op kunnen merken dat in bezwaar slechts in algemene zin is aangevoerd dat het in het belang van het kind is om op te groeien bij zijn biologische vader, zonder enige onderbouwing. Daarover hoefde niet gehoord te worden. Dat verweerder erkent dat het primaire besluit een gebrek bevat, doet niet af aan de conclusie dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag kon afwijzen en eiser 1 geen toestemming krijgt om naar Nederland te komen. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, voorzitter, en mr. L.M. Kos en mr. E. Broekhof, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Richtlijn 2003/86/EG.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.