ECLI:NL:RBDHA:2026:20269
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen stopzetting tijdelijke bescherming en terugkeerbesluiten
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de facultatieve tijdelijke bescherming stop te zetten en meerdere terugkeerbesluiten op te leggen. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen waren, maar de gemachtigde van de minister wel.
Na sluiting van het onderzoek plaatste de minister op 1 juni 2026 een bericht in het digitale dossier waaruit bleek dat eiser op 13 mei 2026 vrijwillig naar zijn land van herkomst was vertrokken. De rechtbank heropende het onderzoek op 23 juni 2026 en verzocht de gemachtigde van eiser aan te geven of er nog procesbelang bestond.
De gemachtigde reageerde niet, waardoor de rechtbank aannam dat eiser geen prijs meer stelde op een inhoudelijke behandeling van het beroep. Gezien het ontbreken van procesbelang verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenvergoeding af.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (1 juli 2024) waarin werd benadrukt dat het niet-ontvankelijk verklaren op basis van een MOB-melding voorzichtig moet gebeuren, maar in dit geval was er geen recente communicatie die procesbelang aannemelijk maakte.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier F.E. Brokke en is openbaar bekendgemaakt op 20 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst.