ECLI:NL:RBDHA:2026:20283

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38721
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing beroep

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de maatregel rechtmatig is en of een lichter middel mogelijk was.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel terecht is opgelegd vanwege onvoldoende zekerheid over de identiteit van eiser (a-grond) en het risico op onderduiken om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de asielprocedure (b-grond). De d-grond wordt niet inhoudelijk beoordeeld omdat de eerste twee gronden voldoende zijn. Eiser heeft de gronden niet betwist en de rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten.

De minister heeft de medische situatie van eiser betrokken en de beschikbare zorg in detentie is adequaat. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigen. De stelling van eiser dat hij ten onrechte als meerderjarige staat geregistreerd wordt verworpen omdat hij geen bewijs heeft geleverd en zelf zijn geboortedatum bevestigde.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de asielprocedure en dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38721

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vw [2] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 10 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [4] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De bewaring is gebaseerd op de a-grond, b-grond en d-grond van artikel 59b, eerste lid. De a-grond is aanwezig als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb [5] voordoen. [6] De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen. [7] De d-grond is aanwezig als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel f, van de Opvangrichtlijn.
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [8]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en daarnaast met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico (b-grond).
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dat eisers biometrische gegevens zijn geregistreerd in Eurodac en SIS [9] betekent nog niet dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan.
6.1.
Ook de b-grond van artikel 59b van de Vw is terecht toegepast. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat [10] , vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. [11] De rechtbank oordeelt hierna, onder 7, dat sprake is van een onderduikrisico. Nu de a- en de b-grond al voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, laat de rechtbank de beoordeling van de rechtmatigheid van de d-grond van artikel 59b van de Vw onbesproken.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister om een onderduikrisico aan te nemen.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister terecht ervan uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel, dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico tot onttrekken aan het toezicht vaststaat. [12]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling desgevraagd verklaard dat hij last heeft van zijn hart, dat hij daarvoor naar de dokter is geweest en medicijnen heeft gekregen. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dat sprake is geweest van een calamiteitenmelding waarin is opgenomen dat eiser suïcidaal zou kunnen zijn, maakt dat niet anders. De minister heeft er in de maatregel namelijk ook op gewezen dat voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (meestal mensen met psychische problemen) in het detentiecentrum gespecialiseerde zorg aanwezig is. Als deze zorg niet voldoende kan worden gegeven, dan wordt eiser overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling.
8.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank ziet in het feit dat eiser in afwachting is van de beroepsprocedure van de afwijzing van zijn asielaanvraag en er niet eerder een lichter middel is opgelegd, geen aanleiding om te oordelen dat hierdoor een lichter middel had moeten worden opgelegd. Zoals hiervoor onder 8. is overwogen veronderstellen de gronden van de maatregel een onderduikrisico. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij niet wil keren naar Marokko. De enkele stelling dat eiser bij zijn vriendin kan verblijven, maakt niet dat de minister had moeten afzien van het opleggen van onderhavige maatregel. Hiervoor acht de rechtbank, naast hetgeen hiervoor is overwogen, eveneens van belang dat eiser de volledige naam, geboortedatum en adres van zijn gestelde vriendin niet weet en dat eiser niet traceerbaar is, omdat hij niet staat ingeschreven in de BRP.
8.3.
De rechtbank ziet in eisers stelling dat hij ten onrechte als meerderjarige staat geregistreerd en dat uit de motivering van de maatregel niet blijkt dat de twijfel over de leeftijd is betrokken bij de vraag of de maatregel noodzakelijk en evenredig is, geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank stelt voorop dat eiser tot op heden geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn geboortedatum. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring desgevraagd heeft bevestigd dat hij is geboren op [geboortedatum] . Dit betekent dat de minister ten tijde van de inbewaringstelling mocht uitgaan van de meerderjarigheid van eiser.
Voortvarend handelen
9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [13] volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat eiser op 3 juni 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en dat de minister hierop bij besluit van 4 juli 2026 afwijzend heeft beslist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 [14] heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [15]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
9.Schengen Informatie Systeem.
10.Zie artikel 5.6, tweede en derde lid, van het Vb.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011).
12.Zie artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
13.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
15.Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2016, ECLI:EU:C:2026:148.