ECLI:NL:RBDHA:2026:20284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.21393
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 behandeld en verklaart het ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit zorgvuldig heeft genomen. Tijdens het aanmeldgehoor is vastgesteld dat eiseres transgender is en psychische schade heeft, maar de minister hoefde geen nadere vragen te stellen omdat eiseres niet heeft toegelicht wat zij nog meer wilde verklaren. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt dat Nederland erop mag vertrouwen dat Roemenië eiseres conform internationale normen zal behandelen.

Hoewel eiseres problemen en discriminatie in Roemenië heeft ervaren, is dit onvoldoende om de hoge drempel van onmenselijke of vernederende behandeling te bereiken. Eiseres heeft haar persoonlijke ervaringen niet concreet onderbouwd en er is geen bewijs van structurele tekortkomingen in de Roemeense asielprocedure of opvang. De minister mocht ervan uitgaan dat overdracht niet onevenredig hard is. Het beroep wordt daarom afgewezen en eiseres moet terugkeren naar Roemenië.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiseres moet terugkeren naar Roemenië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, S. Ratnavelayutham als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om terugname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
4. Eiseres voert aan dat dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. [2] De hoormedewerker heeft pas aan het eind van het aanmeldgehoor ontdekt dat eiseres transgender is, terwijl dat een wezenlijke omstandigheid is. Daarom heeft de hoormedewerker ten onrechte geen verdiepende vragen op dit punt aan eiseres gesteld. Het is niet aan eiseres om aan te geven waar zij nog meer over had willen verklaren, maar het is aan de minister om door te vragen. Dat is niet gebeurd.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. In het aanmeldgehoor heeft de hoormedewerker eiseres gevraagd naar haar bezwaren tegen overdracht aan Roemenië. Daarop heeft eiseres verklaard dat zij transgender is en dat zij in Roemenië niet kan werken en leven, wordt mishandeld en als psychisch gestoord wordt beschouwd. Eiseres heeft ook verklaard dat zij veel psychische schade heeft opgelopen. Hierna heeft de hoormedewerker gevraagd of eiseres liever als vrouw wil worden aangeduid, omdat zij tot dan toe als man in het systeem stond geregistreerd, waarop eiseres bevestigend heeft geantwoord. Dat eiseres transgender is staat niet ter discussie. De minister heeft daarom niet onzorgvuldig gehandeld door hier geen nadere vragen over te stellen. Eiseres heeft daarnaast niet toegelicht waar zij nog meer over had willen verklaren, terwijl dat wel op haar weg lag. Het is immers aan eiseres om te onderbouwen waarom de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
Mag de minister voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiseres voert aan dat de minister voor Roemenië niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres is als transgender in Roemenië lastiggevallen, vernederd en mishandeld. Zij kan moeilijk functioneren in de samenleving. Roemenië kent daarnaast geen expliciet verbod op discriminatie op grond van genderidentiteit. Eiseres wijst op het rapport van AIDA [3] voor Roemenië over 2024 van augustus 2025, het rapport van ECRI [4] van 2 juli 2025, het rapport van ILGA-Europe [5] over 2025 en het rapport van USDOS [6] over 2023.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel ten opzichte van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat de minister erop mag vertrouwen dat Roemenië eiseres in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierecht zal behandelen. Overdracht aan Roemenië is niet mogelijk als ernstig moet worden gevreesd voor onmenselijke of vernederende behandelingen. [7] Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Die wordt bereikt als de levensomstandigheden een zeer vergaande materiële deprivatie meebrengen waardoor eiser in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. [8] Eiseres moet dat aannemelijk maken. [9]
5.2.
De minister mag voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [10] Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in haar geval anders is. Uit de door eiseres aangehaalde rapporten blijkt weliswaar dat transgender personen op problemen kunnen stuiten, maar die problemen zijn volgens de rechtbank onvoldoende om de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid te bereiken. Zo volgt uit het AIDA-rapport dat sommige asielzoekers stelden dat zij niet tijdig waren aangemerkt als kwetsbare personen, zoals LGBTQ+-personen. [11] Uit het ECRI-rapport blijkt dat transgender personen discriminatie ondervinden bij werk en toegang tot voorzieningen. [12] De zorg voor transgenders is ook beperkt, zo blijkt uit het ILGA-rapport [13] en het USDOS-rapport. [14] Uit het USDOS-rapport volgt verder dat er meldingen zijn gemaakt van geweld tegen transgender vrouwen. [15] Hoewel uit de beschreven situaties kan worden afgeleid dat eiseres tegen problemen aan kan lopen bij het functioneren in de Roemeense samenleving, is dat onvoldoende om te spreken van een onmenselijke of vernederende situatie zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest EU. Daarvoor wordt immers gedacht aan de onmogelijkheid om te voorzien in de meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, met negatieve gevolgen voor de fysieke of mentale gezondheid, of een toestand van achterstelling die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. [16] De hierboven beschreven situaties zijn daar niet mee gelijk te stellen.
5.3.
Wat betreft haar persoonlijke ervaringen heeft eiseres weliswaar gesteld, maar niet concreet gemaakt noch onderbouwd dat zij is lastiggevallen, vernederd en mishandeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres niet eerder als asielzoeker en/of Dublinclaimant in Roemenië heeft verbleven. Niet gebleken is dat voor transgender personen structurele tekortkomingen gelden in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.4.
Bovendien heeft de minister terecht aangevoerd dat eiseres zich kan wenden tot de Roemeense autoriteiten als zij problemen ervaart. Dat Roemenië geen specifieke wetgeving tegen discriminatie van transgender personen kent, doet er niet aan af dat eiseres zich bijvoorbeeld kan wenden tot de politie als zij te maken krijgt met strafbare feiten en zich kan beklagen bij de Roemeense autoriteiten of uiteindelijk het EHRM in geval van schending van haar grondrechten. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de Roemeense autoriteiten haar niet kunnen of willen beschermen.
5.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister oordelen dat overdracht van eiseres aan Roemenië niet onevenredig hard is?
6. Eiseres voert aan dat overdracht aan Roemenië onevenredig hard is. Ook daartoe wijst zij op haar negatieve ervaringen als transgender in Roemenië.
6.1.
De minister kan besluiten om het asielverzoek van eiseres te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. [17] Dat kan de minister doen als overdracht van eiseres onevenredig hard is. De minister maakt niet snel gebruik van deze bevoegdheid. [18] De rechtbank oordeelt dat de minister ervan uit mocht gaan dat overdracht van eiseres niet onevenredig hard is. Eiseres heeft haar negatieve ervaringen in Roemenië niet onderbouwd. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres moet terugkeren naar Roemenië. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.In de zin van artikel 3:2 van Pro de Awb.
3.Asylum Information Database.
4.European Commission against Racism and Intolerance.
5.International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association Europe.
6.US Department of State.
7.Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
8.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93 (Jawo).
9.ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.1-4.2.
10.ABRvS 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
11.P. 84.
12.P. 13.
13.P. 119.
14.P. 38.
15.P. 28.
16.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 92 (Jawo).
17.Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
18.Paragraaf C2/5 van de Vc.