ECLI:NL:RBDHA:2026:20285
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak strafzaak
De rechtbank Den Haag behandelde op 17 juni 2026 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €82.793,98 van de betrokkene. Deze vordering was gebaseerd op vermeende strafbare feiten waarvan de betrokkene eerder was vrijgesproken bij vonnis van 26 juni 2024.
Tijdens de terechtzitting van 20 mei 2026 vond een inhoudelijke behandeling plaats, waarbij zowel het openbaar ministerie als de verdediging hun standpunten schriftelijk en mondeling toelichtten. Beide partijen waren het eens dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen vanwege de eerdere vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 36e Sr en de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258) een ontnemingsvordering niet ontvankelijk is zonder een veroordeling wegens het strafbare feit. Gezien de vrijspraak van de betrokkene ontbrak de wettelijke grondslag voor ontneming. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens de vrijspraak van de betrokkene.