ECLI:NL:RBDHA:2026:20285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
09.049252.22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak strafzaak

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 juni 2026 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €82.793,98 van de betrokkene. Deze vordering was gebaseerd op vermeende strafbare feiten waarvan de betrokkene eerder was vrijgesproken bij vonnis van 26 juni 2024.

Tijdens de terechtzitting van 20 mei 2026 vond een inhoudelijke behandeling plaats, waarbij zowel het openbaar ministerie als de verdediging hun standpunten schriftelijk en mondeling toelichtten. Beide partijen waren het eens dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen vanwege de eerdere vrijspraak.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 36e Sr en de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258) een ontnemingsvordering niet ontvankelijk is zonder een veroordeling wegens het strafbare feit. Gezien de vrijspraak van de betrokkene ontbrak de wettelijke grondslag voor ontneming. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens de vrijspraak van de betrokkene.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/049252-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de betrokkene. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman mr. M.G. Cantarella op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 82.793,98 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betrokkene bij vonnis van 26 juni 2024 is vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering betrekking heeft.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) houdt in dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348, van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

7.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.