Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.F.M. van Osta naar voren is gebracht.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde op 21 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting op twee momenten in 2023. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen waarbij sprake zou zijn geweest van dwang en geweld, mede door een leeftijdsverschil en het negeren van verzet van de aangever.
De verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende concreetheid, maar de rechtbank oordeelde dat de dagvaarding in samenhang met het dossier voldoende duidelijk was. De officier van justitie en de verdediging bepleitten beiden vrijspraak van de tenlastegelegde feiten.
De rechtbank vond dat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De verklaring van de aangever over de tweede periode (17-18 november 2023) was betrouwbaar, maar de verklaring over de eerste periode (20 mei 2023) minder. Het DNA-onderzoek en het aangetroffen letsel konden zowel passen bij verkrachting als bij vrijwillige seks, waardoor deze bewijsmiddelen geen steun boden voor de tenlastelegging. Ook het getuigenbewijs van de moeder van de aangever werd niet als steunbewijs erkend.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten en verklaarde de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk, omdat de verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, die tot op heden nihil werden begroot.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.