ECLI:NL:RBDHA:2026:20324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39037
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 13 juli 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd opgeheven op 17 juli 2026. Eiser betwistte alle gronden voor bewaring, waaronder illegale inreis en het niet beschikbaar zijn voor de asielprocedure.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de gronden a (illegale inreis en onttrekken aan toezicht) en o (niet beschikbaar zijn door verzuim melding afwezigheid) feitelijk juist en voldoende waren om de bewaring te dragen. Eiser had zonder geldige documenten Nederland illegaal via Spanje binnengekomen en zich niet beschikbaar gehouden voor de autoriteiten.

De rechtbank vond geen aanleiding voor een lichter middel en concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39037

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op 14 juli 2026 van de bewaring in kennis gesteld. [2] Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 17 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 16 juli 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 17 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het ook op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In de maatregel heeft verweerder als gronden [3] vermeld dat eiser:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
- b. eerder een, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reis naar Nederland of een andere lidstaat;- h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
- o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
- p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van grond a voert eiser aan dat hem de illegale inreis niet kan worden tegengeworpen, omdat hij Nederland is ingereisd om een asielaanvraag in te dienen. Daarnaast stelt eiser dat hij zich niet aan het toezicht heeft willen onttrekken. Hij is na zijn eerdere asielaanvraag vanwege een relatie naar België vertrokken, maar het was niet zijn bedoeling zijn asielprocedure in Nederland te beëindigen. De gronden b en o kunnen hem daarom volgens eiser evenmin worden tegengeworpen. Ten aanzien van de gronden c en d stelt eiser dat hij volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en zijn juiste identiteits- en nationaliteitsgegeven heeft verstrekt. Met betrekking tot grond h voert eiser aan dat zijn verklaring dat hij niet naar Algerije wil terugkeren voortvloeit uit zijn asielmotieven. Verder stelt eiser dat hij weliswaar niet over identiteitsdocumenten beschikt, maar bereid is mee te werken aan het verkrijgen daarvan, zodat ook grond p hem niet kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van grond r voert eiser aan dat hij bij zijn partner in België kan verblijven. Tot slot stelt eiser, met betrekking tot grond s, dat hij wil werken en op die wijze in zijn levensonderhoud wil voorzien.
5. Verweerder heeft bij het verweerschrift de grond p laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag ligt.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden a en o terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Eiser beschikte bij zijn inreis niet over een geldig reis- of identiteitsdocument en heeft tijdens zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij illegaal via Spanje het Schengengebied is ingereisd. Dat eiser zonder documenten Nederland is ingereisd om een asielaanvraag in te dienen, maakt niet dat grond a hem niet kan worden tegengeworpen. Verder volgt uit het dossier dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser is na het indienen van zijn asielaanvraag van 24 augustus 2023 niet verschenen op de aanmeldgehoren van 28 en 29 augustus 2023. Hij heeft hierover verklaard dat hij naar België is vertrokken. Dat het niet zijn bedoeling was zijn asielprocedure in Nederland te beëindigen, doet er niet aan af dat hij zich niet beschikbaar heeft gehouden voor de autoriteiten dan wel de behandeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft deze omstandigheden daarom aan de gronden a en o ten grondslag mogen leggen. De gronden a en o zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. Wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de overige gronden behoeft daarom geen bespreking.
7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet kon worden volstaan met een ander afdoende, maar minder dwingende maatregel om het risico op onderduiken te ondervangen. Verweerder heeft daarbij de door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is of die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen.
8. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).