ECLI:NL:RBDHA:2026:20326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 28 VerblijfsrichtlijnArt. 6:162 BWArt. 94 VwRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, een Poolse staatsburger, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet vanwege een risico op onderduiken en het ontwijken van de uitzettingsprocedure. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van zijn uitzetting, onder meer omdat hij al tijdens zijn strafdetentie had kunnen worden uitgezet.

De rechtbank oordeelt dat het besluit van 26 april 2022 rechtsgeldig aan eiser is bekendgemaakt en dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, waardoor het verwijderingsbesluit nog steeds van kracht is. De gronden voor de bewaring worden niet betwist en zijn voldoende onderbouwd.

Hoewel verweerder erkent niet te hebben voldaan aan de inspanningsverplichting om de uitzetting tijdens de strafdetentie voor te bereiden, leidt dit niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. De belangenafweging, mede gelet op het risico op onderduiken en eerdere uitzettingen, valt in het nadeel van eiser uit.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39237

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op 14 juli 2026 van de bewaring in kennis gesteld. [2] Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 15 juli 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 20 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 21 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1982 en heeft de Poolse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting. Volgens eiser had verweerder reeds tijdens zijn strafdetentie de uitzetting naar Polen kunnen voorbereiden, omdat zijn identiteit en nationaliteit bekend waren, hij in het bezit is van een Pools paspoort en Polen hem op grond van de Verblijfsrichtlijn [3] zonder nadere formaliteiten dient terug te nemen. De bewaring heeft daarom langer voortgeduurd dan strikt noodzakelijk en is in strijd met het evenredigheids- en subsidiariteitsbeginsel. Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de duur van zijn verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 28 van Pro de Verblijfsrichtlijn. Daarnaast is niet aangetoond dat het besluit van 26 april 2022 op rechtsgeldige wijze aan hem is bekendgemaakt, zodat de rechtsgevolgen daarvan eerst op 26 januari 2026 zijn ingetreden.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het besluit van 26 april 2022 niet op rechtsgeldige wijze aan hem is bekendgemaakt. Verweerder heeft een door eiser ondertekend uitreikingsblad aan het digitale dossier toegevoegd waaruit blijkt dat het besluit van 26 april 2022 op 29 mei 2022, met behulp van een tolk Pools, aan eiser is uitgereikt. De omstandigheid dat in de maatregel de datum van 26 januari 2026 is genoemd als datum van uitreiking, berust naar het oordeel van de rechtbank op een kennelijke verschrijving.
5. Het Hof [4] heeft in het arrest FS [5] overwogen dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen slechts opnieuw aanspraak kan maken op een verblijfsrecht op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn indien hij het grondgebied van de lidstaat niet alleen fysiek heeft verlaten, maar zijn eerdere verblijf ook daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 20 maart 2026 voor het laatst naar Polen is uitgezet en dat hij daarnaast reeds twaalfmaal eerder naar Polen is uitgezet. Eiser is telkens teruggekeerd naar Nederland. Niet is gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd of in Polen een nieuw bestaan heeft opgebouwd. Zijn terugkeer moet daarom worden aangemerkt als een voortzetting van zijn eerdere verblijf in Nederland. Dit betekent dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en dat het besluit van 26 april 2022 nog steeds werking heeft. Verweerder was daarom bevoegd eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring te stellen.
7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de duur van zijn verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 28 van Pro de Verblijfsrichtlijn, volgt de rechtbank hem daarin niet. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen over het voortduren van de rechtgevolgen van het besluit van 26 april 2022 en het ontbreken van een daadwerkelijke en effectief beëindigd verblijf, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en, voor zover noodzakelijk, voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
9. Op verweerder rust de inspanningsverplichting om, indien een vreemdeling uitsluitend aan een strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld, de voorbereiding van de uitzetting zoveel mogelijk tijdens die strafrechtelijke detentie plaats te laten vinden. [6] Indien verweerder deze inspanningsverplichting niet nakomt, leidt dit niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring. Daarvoor dient een belangenafweging plaats te vinden.
10. Niet in geschil is dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser geen uitzettingshandelingen heeft verricht. Verweerder heeft bij het verweerschrift erkend dat hij daarmee niet heeft voldaan aan de op het rustende inspanningsverplichting. Daarmee is sprake van een gebrek.
11. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek in dit geval niet leidt tot onrechtmatigheid van de inbewaringstelling. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser gedurende 26 dagen strafrechtelijk gedetineerd is geweest, zodat sprake is van een relatief beperkte periode waarin verweerder voorbereidingen had kunnen treffen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat een duidelijk risico op onderduiken bestaat. Ook is eiser reeds meermalen naar Polen uitgezet en telkens teruggekeerd naar Nederland. Daarnaast heeft verweerder na oplegging van de maatregel voortvarend gehandeld door op 17 juli 2026 een vertrekgesprek te voeren met eiser en op 20 juli 2026 een vluchtaanvraag verzonden. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De bewaring is daarom niet onrechtmatig.
12. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Richtlijn 2004/38/EG.
4.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Arrest van het Hof van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
6.Volgt uit paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000.