ECLI:NL:RBDHA:2026:20386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/6712 en NL26.23558
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen HTL-plaatsing en vrijheidsbeperkende maatregel van asielzoeker

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag twee beroepen van een asielzoeker behandeld. Het eerste beroep betrof het besluit van het COa om eiser vanaf 10 april 2026 in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen vanwege een incident met agressief gedrag. Het tweede beroep richtte zich tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie.

De rechtbank heeft het incident beoordeeld waarbij eiser op 8 april 2026 agressief gedrag vertoonde richting een COa-medewerker en daarbij doodsbedreigingen uitte. Hoewel eiser dit ontkent, acht de rechtbank de verslaglegging van het COa voldoende aannemelijk. Het incident werd door het COa als een gebeurtenis met zeer grote impact gekwalificeerd, wat de rechtbank onderschrijft gezien de aard van de bedreigingen en de onveiligheidsgevoelens die het veroorzaakte.

De rechtbank concludeert dat het COa terecht heeft besloten tot de HTL-plaatsing, mede gelet op eerdere incidenten waarbij eiser betrokken was en de ineffectiviteit van lichtere maatregelen. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de HTL-plaatsing en vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/6712 en NL26.23558

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COA,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 10 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 10 april 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 10 april 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 26 april 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 14 juli 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, geen schadevergoeding krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - samengevat - het volgende. Op 8 april 2026 is eiser naar de infobalie gegaan en heeft een COa-medewerker gevraagd naar de inhoud van een brief die hij heeft ontvangen en waarom hij geen geld heeft gekregen. De medewerker heeft aan eiser uitgelegd dat het om een ROV [4] -maatregel gaat en dat hij geen geld zal ontvangen, maar wel maaltijden. De COa-medewerker heeft desgevraagd ook aan eiser uitgelegd dat de ROV-maatregel is opgelegd vanwege incidenten in het weekend van 28 en 29 maart 2026. Eiser heeft hierop gereageerd met (verbaal) agressief gedrag. Zo is hij dichtbij de COa-medewerker gaan staan, wees hij met zijn wijsvinger naar haar en heeft hij (in de Arabisch taal die de COa-medewerker ook beheerst) met luide stem gezegd: “
Ik heb het al eerder gezegd en ik ga het nog een keer herhalen: ik ga één van jullie doodmaken. Als jullie mij gaan straffen, maakt het mij helemaal niks uit. En ik herhaal het nog een keer: ik ga één van jullie doodmaken, en vanaf dit moment gaan jullie alleen maar problemen krijgen. Er zal bloed op deze locatie te zien zijn, en dat bloed zal niet van medebewoners zijn, dat zou jullie bloed zijn.” Er waren op dat moment andere bewoners bij de infobalie die vroegen of alles goed ging met de COa-medewerker. Zij gaf aan dat het goed was en vervolgde haar werkzaamheden bij de infobalie. COa-medewerker 2 bevestigde dat eiser ook agressief gedrag vertoonde tijdens de kamercontrole. Na afloop van de werkzaamheden bij de infobalie namen de COa-medewerkers contact op met de wijkagent om het incident te melden. Vervolgens namen zij contact op met de locatiemanager en andere aanwezige collega’s om te overleggen of het incident als HTL-waardig beschouwd moest worden.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser ontkent doodsbedreigingen tegenover de COa-medewerker te hebben geuit. Daarnaast is het incident dat aan de HTL-plaatsing ten grondslag ligt niet als incident opgenomen en gekwalificeerd in het incidentenoverzicht als vermeld in bijlage 1. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet gehandhaafd blijven. De gedraging van eiser aan de infobalie, waar hij zijn ongenoegen heeft geuit, kan worden gekwalificeerd als een gedraging van geringe impact, te weten lichte agressie en geweld zonder schade (niet op de persoon gericht), dan wel hoogstens als een gedraging van middelgrote impact, zijnde een woordenwisseling of kleine ruzie c.q. algemene negatieve opmerkingen in een openbare ruimte (niet op de persoon gericht). Voor HTL-plaatsing is deze gedraging onvoldoende. Niet onvermeld mag blijven dat de betreffende COa-medewerker haar werkzaamheden na het incident heeft voortgezet en heeft bevestigd dat het goed met haar ging. Toen het incident van eiser na een half uur met een collega ter sprake kwam, was er eveneens twijfel of het gedrag van eiser al dan niet HTL-waardig is. Hieruit kan ook worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een incident dat een zeer grote impact heeft gehad. Om te beoordelen of eisers gedrag al dan niet HTL-waardig is, zou advies zijn ingewonnen van HTL-collega’s. Dit duidt niet op een directe grote en/of zeer grote impact van deze gedraging. Daar komt bij dat het advies ontbreekt in het dossier. Ook de omstandigheid dat er een periode van twee dagen is gelegen tussen het incident (8 april 2026) en de HTL-plaatsing (10 april 2026) is een indicatie dat de gedraging van eiser niet als een grote en/of zeer grote impact wordt beschouwd. Aan dit aspect gaat het bestreden besluit ten onrechte voorbij.
Oordeel van de rechtbank
De feitelijke verslaglegging van het incident
5. Eisers beroepsgrond dat hij ontkent tegenover de COa-medewerker doodsbedreigingen te hebben geuit en dat hij niet heeft gezegd wat in het plaatsingsbesluit staat weergegeven, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat uit de verslaglegging duidelijk volgt dat eiser zich (verbaal) agressief heeft geuit richting de COa-medewerker en daarbij doodsbedreigingen heeft gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de gedragingen, zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan. De enkele omstandigheid dat het op 8 april 2026 plaatsgevonden incident niet staat weergegeven in het incidentenoverzicht, maakt het plaatsingsbesluit niet onrechtmatig. Het incident en de toelichting daarop staan namelijk wel beschreven in het plaatsingsbesluit.
De impact van het incident
6. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie en geweld met als doel de ander ernstig te kleineren of te bedreigen. [5] Uit de verslaglegging volgt immers dat eiser met luide stem doodsbedreigingen heeft geuit, terwijl hij wees naar de COa-medewerker. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat enkel sprake zou zijn geweest van lichte agressie en geweld zonder schade dan wel van een woordenwisseling of kleine ruzie c.q. algemene negatieve opmerkingen in een openbare ruimte, niet zijnde op de persoon gericht. Dat de betreffende COa-medewerker na het incident heeft aangegeven dat het goed met haar gaat, zegt naar het oordeel van de rechtbank niets over de impact die het incident in zijn algemeenheid, of enige tijd later, op iemand kan hebben. Uit het besluit volgt namelijk dat het incident een zeer grote impact heeft gehad op zowel het COa-personeel als de bewoners en dat eisers gedrag een gevoel van onveiligheid bij hen heeft veroorzaakt. Dat het plaatsingsbesluit twee dagen na het incident is opgelegd, maakt evenmin dat het incident ten onrechte is aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Uit het verweerschrift blijkt dat er in deze periode overleg is geweest, dat een gesprek met eiser heeft plaatsgevonden en dat het GZA [6] is gevraagd om te bezien of er bezwaren zijn voor de HTL-plaatsing.
Belangenafweging
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt, dat eiser vóór het onderhavige incident in de periode tussen 14 oktober 2024 en 31 maart 2026 meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Zo heeft eiser de huisregels overtreden en is hij vaker betrokken geweest bij incidenten waarbij agressie en geweld een rol hebben gespeeld. Deze incidenten hebben ertoe geleid dat eiser meerdere ROV-maatregelen en een time-out opgelegd heeft gekregen. Deze eerder genomen lichtere maatregelen hebben geen effect gehad op het gedrag van eiser. Gelet op het onderhavige incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen lichter middel aan eiser hoeven opleggen. De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
9.1.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
11. Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 22 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Regeling onthouding verstrekkingen.
5.Maatregelenbeleid COa, 10 maart 2026, paragraaf 4.1.
6.GezondheidsZorg Asielzoekers.