ECLI:NL:RBDHA:2026:20387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/6709 en NL26.23534
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in HTL en vrijheidsbeperkende maatregel wegens agressie in COA-locatie

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 juli 2026 het beroep van een asielzoeker tegen twee besluiten van 28 maart 2026: het plaatsingsbesluit van het COa om hem in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen en de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister van Asiel en Migratie. De asielzoeker werd beschuldigd van agressief gedrag, waaronder het bespuwen en fysiek aanvallen van een medebewoner, het gebruik van een scherp voorwerp en verbale bedreigingen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verslaglegging, camerabeelden en verklaringen van COa-medewerkers. De asielzoeker ontkende de beschuldigingen en voerde zelfverdediging aan, maar dit werd onvoldoende onderbouwd geacht. De rechtbank oordeelde dat het incident een zeer grote impact had en dat het COa terecht een HTL-maatregel oplegde, mede gezien eerdere incidenten en overtredingen door de asielzoeker.

Het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/6709 en NL26.23534

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Ȍ. Sari).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 28 maart 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 28 maart 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 28 maart 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 25 april 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 6 juli 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, geen schadevergoeding krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging en het incidentenoverzicht van het COa blijkt - samengevat - het volgende. Eiser vroeg aan de COa-medewerkster of hij met haar mee kon rijden. De COa-medewerkster gaf aan dat de auto al vol zit. Aan het einde van de activiteit loopt de COa-medewerkster richting haar auto en ontdekt diepe krassen op haar auto. Bewoner C [4] meldt dat hij eiser bij de auto heeft gezien en dat eiser verantwoordelijk is voor de schade.
Bij terugkomst op locatie bevond bewoner B (hierna: bewoner) zich op de trap waarna eiser hem achterna is gelopen en dicht bij de bewoner kwam staan. Eiser heeft de bewoner aangesproken waarop de bewoner zijn grens heeft aangegeven door zijn hand uit te steken. Eiser heeft de hand van de bewoner flink weggeduwd waardoor de bewoner achteruit is gevallen. De bewoner is door eiser nagetrapt en bespuugd. Eiser is vervolgens naar boven gerend, heeft een dweilstok gepakt, deze doormidden gebroken waardoor een scherpe punt is ontstaan en is hiermee naar de bewoner gelopen. Ondanks de aanwijzing van een COa-medewerker heeft eiser geweigerd om de dweilstok los te laten. Door de tussenkomst van drie andere COa-medewerkers is de situatie onder controle gekomen. Daarna heeft eiser verbale bedreigingen geuit naar de bewoner en hem, onder andere, met de dood bedreigd. De situatie is daarna opnieuw geëscaleerd toen de bewoner fysiek is aangevallen door eiser. Vervolgens is de bewoner naar een veilige plek gebracht, is de politie gebeld en heeft de bewoner aangifte gedaan. Daarna is eiser door COa-medewerkers herhaaldelijk verzocht om op zijn kamer te blijven, maar heeft hij hieraan geen gehoor gegeven. Even later (op 26 maart 2026 rond 00:30 uur) heeft eiser een COa-medewerker uitgescholden en hebben andere COa-medewerkers moeten ingrijpen om de situatie de de-escaleren.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser ontkent de beschadigingen op de auto van de COa-medewerker te hebben aangebracht en geeft aan dat hij ten onrechte wordt beschuldigd door de bewoner. Eiser voert verder aan dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld, omdat hij door de bewoner met een scherp voorwerp werd aangevallen. Met betrekking tot het uitschelden van de COa-medewerkster betoogt eiser dat zij zou zijn begonnen en dat hij toen heeft teruggescholden. Ook ontkent eiser dat hij haar heeft bedreigd. De omstandigheid dat hij niet is aangehouden en meegenomen door de politie is een indicatie dat de impact van zijn gedraging niet zodanig groot is als het besluit doet voorkomen. Verder voert eiser aan dat hij per 1 april 2026 zou beginnen met werken in een DHL-distributiecentrum, maar dat hij door onderhavige maatregel niet heeft kunnen aanvangen met zijn werkzaamheden. Hij wordt hierdoor extra zwaar gestraft.

Oordeel van de rechtbank

De feitelijke verslaglegging van het incident
5. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa ten aanzien van het incident met de bewoner. De enkele stelling dat de bewoner eiser met een scherp voorwerp heeft aangevallen en eiser uit zelfverdediging heeft gehandeld, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. De rechtbank acht hierbij van belang dat de feiten zijn vastgesteld op basis van camerabeelden en verklaringen van COa-medewerkers. Uit de verslaglegging blijkt niet dat de bewoner een scherp voorwerp zou hebben gehad, dan wel dat eiser uit zelfverdediging zou hebben gehandeld. Verder volgt uit de verslaglegging dat andere medebewoners aan COa-medewerkers hebben verklaard dat de bewoner geen aanleiding heeft gegeven voor de escalatie tussen hem en eiser. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan. Ten aanzien van het bekrassen van de auto, overweegt de rechtbank dat uit de verslaglegging enkel volgt dat de bewoner eiser bij de auto heeft gezien en dat eiser verantwoordelijk zou zijn voor het bekrassen van de auto. Uit de verslaglegging volgt niet dat de bewoner, dan wel een COa-medewerker, zou hebben gezien dat eiser daadwerkelijk de auto zou hebben bekrast. Het enkele feit dat eiser bij de auto zou zijn gezien, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Dit laat onverlet dat de rechtbank van oordeel is dat het plaatsingsbesluit terecht is opgelegd. De rechtbank licht dit hieronder toe.
De impact van het incident
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. [5] Uit de verslaglegging volgt onder andere dat eiser doelgericht heeft gehandeld door fysiek geweld te gebruiken tegen een bewoner. Nadat de betreffende bewoner door het toedoen van eiser is gevallen, heeft eiser hem nagetrapt en bespuugd. Daarna heeft eiser een dweilstok doormidden gebroken waardoor een scherpe punt is ontstaan en is hij vervolgens opnieuw naar de bewoner gelopen. Alhoewel meerdere COa-medewerkers de situatie onder controle hebben gekregen, overweegt de rechtbank dat de situatie tot ernstig fysiek letsel had kunnen leiden bij de bewoner. Na het incident heeft eiser verder verbale bedreigingen geuit richting de bewoner en hem ook met de dood bedreigd. Op een later moment heeft eiser zich ook richting een COa-medewerker verbaal agressief gedragen. Dit alles maakt dat het gedrag van eiser een zeer grote impact heeft gehad op de betreffende bewoner, omstanders en ook het COa-personeel. Het enkele feit dat eiser niet is aangehouden en meegenomen door de politie betekent niet dat het incident ten onrechte is aangemerkt als een incident met zeer grote impact.
Belangenafweging
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt, dat eiser vóór het onderhavige incident meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn opgelegd. Eiser heeft meerdere keren de huisregels overtreden en is vaker betrokken geweest bij incidenten waarbij agressie en geweld een rol hebben gespeeld. De eerder genomen lichtere maatregelen hebben geen effect gehad op het gedrag van eiser. Gelet op het onderhavige incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen aanleiding hoeven te zien voor het opleggen van een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat de HTL-plaatsing van eiser niet disproportioneel is geweest en eiser heeft evenmin bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken. De niet onderbouwde stelling dat eiser door het plaatsingsbesluit dubbel wordt gestraft, omdat hij daardoor niet kon beginnen bij zijn werkgever, maakt dat oordeel niet anders.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
9.1.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
10.1.
Eiser verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 22 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.In de verslaglegging wordt gesproken over bewoner C, uit de toelichting blijkt dat degene die bewoner C wordt genoemd bij het eerste incident dezelfde persoon is die als bewoner B wordt genoemd bij het tweede incident.
5.Maatregelenbeleid COa, 10 maart 2026, paragraaf 4.1.