ECLI:NL:RBDHA:2026:20439

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39335
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 94 VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser is op 14 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelt de gronden voor de bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van de uitzettingsprocedure.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat hij zich niet aan de vertrekplicht heeft gehouden. Eiser heeft zich niet beschikbaar gehouden voor zijn procedure en is met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld om uitzetting te realiseren, met lopende aanvragen voor Libië en Algerije. De rechtbank acht de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende onderbouwd.

Eiser voert aan dat een lichter middel volstaat omdat hij wil meewerken, maar de rechtbank oordeelt dat zijn gedrag dit niet rechtvaardigt. Ook zijn medische omstandigheden zijn voldoende betrokken en maken de maatregel niet onevenredig. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39335

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. [2] Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. [4]
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [5]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is in de rechtbank in Groningen verschenen, samen met zijn gemachtigde. Ook is er een tolk verschenen. De gemachtigde van de minister is ook op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [6] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [7] De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [8] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [9]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat, of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft op 12 februari 2026 het besluit genomen dat eisers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, omdat eiser op 25 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft zich op 1 juni 2026 opnieuw bij het COA gemeld voor opvang en is daarna op 14 juli 2026 in bewaring gesteld. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd, is de rechtbank van oordeel dat de gronden de maatregel kunnen dragen; hiermee staat het risico tot onttrekken aan het toezicht vast. [10] Eiser stelt dat desondanks een lichter middel volstaat, omdat hij wil meewerken aan een meldplicht en hij in gesprek zou zijn geweest met IOM.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht in zijn overwegingen betrokken dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel. Zo heeft eiser zich niet beschikbaar gehouden voor zijn procedure, nu hij op
22 januari 2026 niet is verschenen voor zijn gehoor bij de IND. Vervolgens is hij op
25 januari 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Op 4 juni 2026, 15 juni 2026 en op 14 juli 2026 hebben vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, die niet hebben geleid tot het vertrek van eiser. Op 16 juni 2026 is aan eiser de artikel 56 maatregel Pro opgelegd dat hij op de VBL [11] in Ter Apel moet verblijven, om te werken aan zijn terugkeer. Bovendien heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 4 juni 2026 verklaard niet te willen terugkeren. Daarnaast heeft eiser sinds zijn asielaanvraag op 19 december 2025 geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en dat die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel voor eiser onevenredig maken is niet gebleken.
Voortvarend handelen
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Zo zijn op 9 juni 2026 lp [12] -aanvragen opgestart voor Libië en Algerije.
Zicht op uitzetting
11. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië [13] niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het concrete geval van eiser het zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt. Niet is gebleken dat de Libische autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije eveneens niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [14] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [15] Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [16]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
9.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
10.Zie artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
11.Vrijheidsbeperkende locatie.
12.Laissez-passer.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156.
14.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
16.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).