ECLI:NL:RBDHA:2026:20439
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser is op 14 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelt de gronden voor de bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van de uitzettingsprocedure.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat hij zich niet aan de vertrekplicht heeft gehouden. Eiser heeft zich niet beschikbaar gehouden voor zijn procedure en is met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld om uitzetting te realiseren, met lopende aanvragen voor Libië en Algerije. De rechtbank acht de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende onderbouwd.
Eiser voert aan dat een lichter middel volstaat omdat hij wil meewerken, maar de rechtbank oordeelt dat zijn gedrag dit niet rechtvaardigt. Ook zijn medische omstandigheden zijn voldoende betrokken en maken de maatregel niet onevenredig. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.