ECLI:NL:RBDHA:2026:20447

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23557
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen plaatsingsbesluit HTL en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het COa om hem vanaf 1 april 2026 in de Hoog Risico Toegang Locatie (HTL) te plaatsen en tegen de vrijheidsbeperkende maatregel die de minister op dezelfde datum oplegde. De rechtbank heeft beide beroepen op 7 juli 2026 behandeld en het onderzoek gesloten.

De feiten betreffen een ernstig grensoverschrijdend incident op 30 maart 2026 waarbij eiser tijdens een medisch onderzoek zijn geslachtsdeel ontblootte en zich seksueel ongepast gedroeg tegenover een vrouwelijke huisarts. De huisarts en andere medewerkers waren hevig geschrokken, waarna politie en beveiliging werden ingeschakeld en eiser werd aangehouden. Eiser ontkent het gedrag, maar de rechtbank acht de verslaglegging van het COa en verklaringen van betrokkenen voldoende betrouwbaar.

De rechtbank oordeelt dat het COa terecht en proportioneel heeft besloten tot plaatsing in de HTL, gelet op de grote impact van het incident en de emotionele schade bij het slachtoffer. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit wordt ongegrond verklaard. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel steunt op het plaatsingsbesluit, wordt ook dit beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel af en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.23557 en AWB 26/6703

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 1 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 1 april 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 1 april 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld. Het COa heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesbelang
3. Het COa heeft in het verweerschrift aangegeven dat de maatregel op 1 juli 2026 is opgeheven en dat eiser sindsdien niet meer in de HTL verblijft. Het COa stelt zich daarom primair op het standpunt dat geen sprake meer is van procesbelang. De rechtbank is van oordeel dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van de beroepen vanwege het mogelijke recht op schadevergoeding. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser op zitting verklaard dat hij nog contact heeft met eiser.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit.
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
4. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat - het volgende. Op 30 maart 2026 wordt de dagcoördinator van het COa gebeld door de verpleegkundige van de GZA-post op de locatie. De verpleegkundige van de GZA geeft aan dat er zojuist een zeer ernstig grensoverschrijdend incident is geweest tussen een vrouwelijke huisarts en eiser. Omstreeks 16:32 uur gaat het COa ter plaatse bij de GZA en treft daar de huisarts aan in ernstig geschrokken en geschokte toestand. Ook de andere collega's zijn heftig geschrokken. Het COa probeert de huisarts te kalmeren en helder te krijgen wat er is gebeurd. Het blijkt dat tijdens een fysiek onderzoek eiser zijn stijve penis uit zijn onderbroek heeft gehaald en zich ging aftrekken. Dit deed hij terwijl hij dingen zei als: "You are so kind to me” en “You are very pretty". Eiser kijkt tijdens deze handelingen indringend en duidelijk met seksuele bijbedoelingen naar de huisarts. De huisarts heeft eiser verzocht te stoppen en zich direct aan te kleden. In haar angst wist ze zich geen houding te geven en was ze niet in staat om direct te alarmeren. Deze situatie heeft een poosje voortgeduurd. Pas toen ze vluchtte naar de deur, deze opendeed en daar herhaalde dat eiser moest stoppen en zich moest aankleden, gaf eiser gevolg aan deze opdracht. Eiser heeft zijn broek opgehesen en is weggegaan, de huisarts in geschokte toestand achterlatend. Aansluitend is de huisarts naar de verpleegkundige van dienst gegaan en heeft daar steun gezocht. Deze heeft het COa ingeschakeld. Omstreeks 16:45 uur besluit het COa achtereenvolgens de beveiliging en de politie in te schakelen. Het COa en de beveiliging staan de huisarts en de andere GZA-medewerkers bij en bieden troost en een luisterend oor. De politie arriveert om 16:55 uur. Deze gaat in gesprek met de huisarts (en later de GZA verpleegkundige) en hieruit volgt dat de huisarts aangifte wil doen. De politie besluit in overleg met de officier van justitie tot aanhouding van eiser.
Beroepsgronden van eiser
5. Eiser ontkent het grensoverschrijdend gedrag. Zijn penis werd stijf gedurende het medische onderzoek waarbij een branderige vloeistof c.q. zalf op zijn geslachtsdeel werd aangebracht. Hij ontkent zich te hebben afgetrokken. Bewoordingen als “You are so kind to me” en “You are very pretty” heeft hij niet tegen de huisarts geuit. Bovendien merkt eiser op dat hij vanwege de specifieke aard van zijn medische klachten om een mannelijke huisarts had gevraagd, maar daaraan is geen gehoor gegeven. Verder mag niet onvermeld blijven dat eiser gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de huisarts om zich aan te kleden. Er is daarnaast geen fysiek letsel geconstateerd bij de huisarts, aldus eiser. De overplaatsing naar de HTL is dan ook een onevenredige bestraffing.
Oordeel van de rechtbank
De feitelijke verslaglegging van het incident
6. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Zo blijkt uit de verslaglegging dat de dagcoördinator van het COa is gebeld, dat de huisarts naar de verpleegkundige van dienst is gegaan en daar steun heeft gezocht, dat deze het COa heeft ingeschakeld en dat achtereenvolgens de beveiliging en de politie is ingeschakeld om de huisarts en de andere GZA-medewerkers bij te staan. Ook blijkt uit de verslaglegging dat de huisarts aangifte wilde doen en dat de politie in overleg met de officier van justitie heeft besloten tot aanhouding van eiser. De rechtbank overweegt dat de feiten zijn vastgesteld op basis van de verklaringen van de huisarts, de verpleegkundige en overige aanwezige medewerkers, evenals de bevindingen van het COA en de politie. Daarnaast zijn de feiten uitgebreid omschreven in het besluit. De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling dat eiser om een mannelijke huisarts had gevraagd, maar hieraan geen gehoor is gegeven, niet relevant is voor de vraag of de feitelijke verslaglegging van het incident juist is. De stelling van eiser dat hij gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de huisarts om zich aan te kleden en dat geen fysiek letsel is geconstateerd bij de huisarts, maken naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat aanleiding bestaat om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de door het COa omschreven gedragingen zich op deze wijze hebben voorgedaan.
De impact van het incident en de belangenafweging
7. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid volgt dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in dit geval sprake, namelijk van gedrag dat als doel had een ander ernstig te kleineren dan wel (seksueel) te bedreigen. Door eiser is de kwalificatie van de impact als zodanig ook niet is betwist. Het COa heeft verder gewezen op de ernstige emotionele schade bij het slachtoffer en het verstoord zijn geraakt van de veiligheid op de locatie. Daarnaast is sprake van een verzwarende omstandigheid, nu het gedrag gericht is geweest tegen een persoon die op de COa-locatie werkzaam is. Naar het oordeel van de rechtbank is de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel geweest en de rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd evenmin contra-indicaties voor het opleggen van het plaatsingsbesluit.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
10. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel voor het overige ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
12. Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, op 22 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving en Toezicht Locatie.
2.Vreemdelingenwet 2000.