ECLI:NL:RBDHA:2026:20448

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23535 en AWB 26/6707
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen plaatsingsbesluit HTL en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het COa om hem per 31 maart 2026 in de HTL te plaatsen en tegen de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister. De rechtbank heeft beide beroepen op 7 juli 2026 behandeld en het onderzoek gesloten.

Het incident dat leidde tot het plaatsingsbesluit betrof een conflict in unit A6 waarbij eiser zich agressief gedroeg door te schreeuwen, zijn fiets op de grond te gooien, te proberen een unit binnen te dringen en een groot gat in een dubbel glas keukenraam te slaan. Hierbij waren meerdere bewoners en COa-medewerkers aanwezig, die door glasscherven werden geraakt. Eiser betwist de agressor te zijn, maar de rechtbank volgt het COa in de kwalificatie van de gedraging als een gedraging met grote impact.

De rechtbank oordeelt dat het COa het plaatsingsbesluit voldoende heeft gemotiveerd en dat eerdere incidenten een patroon van ongewenst gedrag aantonen. Het besluit tot plaatsing in de HTL is niet disproportioneel. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.23535 en AWB 26/6707

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Syrische nationaliteit,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 31 maart 2026 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 31 maart 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 31 maart 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld. Het COa heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is er een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit.
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende. Op 26 maart 2026 ontstond er onrust in unit A6 tussen bewoner B en een andere bewoner X. Hoewel deze onrust aanleiding was voor dit incident, staat het los van hetgeen er gebeurde tussen bewoner eiser en B. Terwijl COA-medewerker 1 en 2 in gesprek waren met bewoner B, die met stemverheffing sprak, zag COA-medewerker 3 vanuit het raam, hoe eiser richting unit A6 fietste. Omdat eiser gevoelig is voor onrust en COa-medewerker 3 verdere escalatie wilde voorkomen, besloot ze om uit het raam van het kantoor met eiser in gesprek te gaan. Bewoner B in unit A6 was nog steeds boos en liep naar het raam van de unit en schreeuwde in het Darija en Arabisch met verschillende woorden waaronder “tabon yemek” en “dind yemek”. Hij schreeuwde verder in het Arabisch, wat niet verstaanbaar was. COa-medewerker 3 reageerde niet op het geschreeuw van deze bewoner en praatte verder met eiser. Hierop deed COa-medewerker 2 het gordijn dicht om verdere escalatie te voorkomen. Bewoner in unit 6 bleef schreeuwen, het was onduidelijk tegen wie hij schreeuwde. Wat er gezegd werd, is onduidelijk. Terwijl COa-medewerker 3 en eiser in gesprek waren, bleef bewoner B in A6 bij het raam schreeuwen. Toen draaide eiser zich uit het niets om en schreeuwde naar de bewoner B in unit 6. Wat hier is gezegd, is onduidelijk. Eiser bleef schreeuwen, gooide zijn fiets op de grond en liep naar unit A6 met het doel om de unit binnen te dringen, waarop COa-medewerker 1 de deur van de unit dicht deed. Hierop schopte en sloeg eiser tegen het raam en de unit, waardoor er een zeer groot gat in het raam van de keuken is gekomen. Het keukenraam heeft dubbel glas en het grote gat is in beide lagen glas, het raam is volledig kapot. Op dat moment bevonden COa-medewerker 2, bewoner B, bewoner X en nog 3 andere bewoners zich in de keuken. COa-medewerker 2 en bewoner B stonden in het midden van de keuken. COa-medewerker 2 had haar rug tegen het raam toegedraaid, omdat ze in gesprek was met bewoner B. Bewoner X zat aan de keukentafel en de andere bewoners stonden ook in keuken. Waar de andere bewoners stonden, kan COa medewerker 2 zich niet meer herinneren. Niemand is door het glas geraakt, wel kwamen er glasscherven tegen de schoenen aan van COa-medewerker 2.
Er ontstond grote onrust, hierop heeft bewoner X de deur van unit A6 opengedaan en rende met een hamer in zijn hand het veld op voor het kantoor. Terwijl deze bewoner de deur opendeed, rende eiser weg. Bewoner B liep buiten met een bezemsteel en eiser had veel bloed aan zijn rechterhand. Collega’s van het team AMV hebben eiser hierop meegenomen naar de receptie. Terwijl de AMV-collega eiser probeert mee te nemen naar de receptie, draait eiser zich meermaals om, zocht hij bewoner B op en probeerde hij meermaals terug te gaan naar bewoner B. Eiser is uiteindelijk meegelopen naar de receptie.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat een andere bewoner de agressor was bij het incident. Eiser was rustig aan het fietsen, maakte een praatje met een COa-medewerker en werd vervolgens uitgescholden door bewoner B. Dat eiser hierdoor kwaad werd is begrijpelijk. Niet onopgemerkt mag blijven dat bewoner B al onrust had veroorzaakt met een andere bewoner X. Deze achtergrond is in de beslissing ten onrechte niet meegenomen. Volgens eiser is er daarnaast slechts sprake van vernieling. De gedraging van eiser was niet gericht op COa-medewerkers en eiser heeft ook geen COa-medewerkers aangevallen. Er is verder niemand gewond geraakt door de vernieling, behalve eiser zelf. Daarom is geen sprake van een gedraging van grote en/of zeer grote impact door eiser. Daarnaast is een periode van 5 dagen gelegen tussen het incident en het plaatsingsbesluit, wat een indicatie is dat de gedraging van eiser geen grote/zeer grote impact had. Uit de verslaglegging blijkt verder dat eiser door bewoner X met een hamer en door bewoner B met een bezemsteel achterna werd gezeten. Daar, en aan de omstandigheid dat eiser zoals gevraagd meeliep naar de receptie, gaat het COa ten onrechte aan voorbij. Tot slot voert eiser aan dat hij werkzaam is bij een bedrijf in Ermelo. Door het plaatsingsbesluit is eisers arbeidscontract niet verlengd. Eiser is daarom extra zwaar gestraft, aangezien het plaatsingsbesluit grote financiële consequenties voor hem heeft.
Oordeel van de rechtbank
De feitelijke verslaglegging van het incident
5. De rechtbank stelt vast dat de feitelijke gang van zaken, zoals volgt uit de verslaglegging door het COa, als zodanig niet door eiser zijn betwist. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat een andere bewoner de agressor was bij het incident. De rechtbank onderkent dat uit het verslag volgt dat er, voorafgaand aan het incident, al sprake was van onrust in en rondom de unit. Bewoner B was immers aan het schreeuwen en schelden. Onduidelijk hierbij was wat er werd gezegd en tegen wie hij schreeuwde. Uit de verslaglegging volgt echter ook dat eiser degene is geweest die zijn fiets op de grond heeft gegooid, naar unit 6 liep met als doel om hier binnen te dringen en uiteindelijk tegen het raam en de unit aan sloeg en schopte, waardoor er een groot gat in het raam van de keuken is ontstaan. De rechtbank ziet in deze gang van zaken dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat een andere bewoner de agressor was, nu uit de verslaglegging volgt dat eiser juist degene is geweest die zich naar aanleiding van het geschreeuw gewelddadig heeft geuit. Dat bewoner B aan het schreeuwen en schelden was, nog daargelaten tot wie hij zich richtte, en dat eiser nadien door bewoner X met een hamer en door bewoner B met een bezemsteel achterna werd gezeten, kan hieraan niet af doen. Dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de al aanwezige onrust volgt de rechtbank evenmin. Voor zover eiser hiermee betoogt dat hij de onrustige situatie niet heeft veroorzaakt en enkel gereageerd heeft op deze onrust, oordeelt de rechtbank dat dit onverlet laat dat uit de verslaglegging volgt dat eiser als eerste gewelddadige handelingen heeft verricht door te proberen de unit binnen te dringen en tegen het raam te schoppen en te slaan. Dat de gedraging niet gericht zou zijn op COa-medewerkers en hij de COa-medewerkers niet zou hebben aangevallen, kan hieraan ook niet af doen.
De impact van het incident
6. De rechtbank stelt vast dat uit het plaatsingsbesluit volgt dat het COa eisers gedraging heeft aangemerkt als een gedraging met een grote impact en dat daarbij eveneens is verwezen naar verschillende eerdere incidenten met een grote of zeer grote impact. In het verweerschrift heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat de gedraging van eiser moet worden aangemerkt als een gedraging met een zeer grote impact met als doel anderen ernstig te bedreigen en ernstige fysieke schade toe te brengen. Los van de vraag of het incident als een incident met een grote dan wel zeer grote impact moet worden gezien, volgt uit het plaatsingsbesluit dat het COa het incident ten minste heeft aangemerkt als een incident met een grote impact. Volgens het Maatregelenbeleid valt onder gedragingen met een grote impact onder meer gedrag met als doel een ander te kleineren, bedreigen of de ander fysieke schade toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van eiser naar hun aard in ieder geval gericht zijn geweest op het bedreigen van anderen dan wel fysieke schade toe te brengen aan anderen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de verslaglegging volgt dat eiser een zeer groot gat in het keukenraam, bestaande uit dubbel glas, heeft geslagen en geschopt. Verder is van belang dat zich ten tijde van het incident verschillende personen, waaronder COa-medewerkers en bewoners, in de keuken bevonden, die door eisers gedrag door glasscherven konden worden geraakt. Zo kwamen er glasscherven aan tegen de schoenen van COa-medewerker 2. Dat uiteindelijk niemand gewond is geraakt, maakt dit niet anders. Uit het besluit volgt verder dat het incident het gevoel van veiligheid bij zowel de bewoners als de medewerkers flink heeft aangetast. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, dan ook niet in het standpunt dat enkel sprake is van een vernieling. Dat er vijf dagen tussen het incident en het plaatsingsbesluit zitting maakt evenmin dat daarmee geen sprake zou zijn van een grote dan wel zeer grote impact. Het gaat immers om de impact op de betrokken personen en daarnaast volgt uit het verweerschrift dat er feitenonderzoek is gedaan, aangezien meerdere bewoners bij het incident betrokken waren en dat het GZA [3] is gevraagd om te bezien of er bezwaren zijn voor de HTL-plaatsing.
Belangenafweging
7. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het plaatsingsbesluit volgt dat het COa aan de overplaatsing naar de HTL ook eerdere incidenten met ten minste een grote impact ten grondslag heeft gelegd. Op grond daarvan heeft het COa geconcludeerd dat zich een patroon voordoet van ongewenst gedrag. Eerdere, lichtere maatregelen hebben geen effect gehad op het gedrag van eiser. Gelet op het onderhavige incident, de eerdere incidenten en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen lichter middel aan eiser hoeven opleggen. De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. De niet onderbouwde stelling dat eiser werkzaam was bij een bedrijf in Ermelo en zijn arbeidscontract niet is verlengd, maakt dat oordeel niet anders.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel

9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
10. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel voor het overige ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
12. Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, op 22 juli 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving en Toezicht Locatie.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.GezondheidsZorg Asielzoekers.