ECLI:NL:RBDHA:2026:20520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL24.52014
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing mvv-aanvraag op grond van onvoldoende belangenafweging familieleven

Eiseres, moeder van referent, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 EVRM Pro, gericht op familieleven met haar zoon en diens gezin in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af, stellende dat er geen beschermenswaardig familieleven bestond tussen eiseres en referent en zijn echtgenote, en dat het economisch belang van Nederland zwaarder woog dan het familieleven met de kleinkinderen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kleinkinderen en de objectieve belemmering om het familieleven in Syrië voort te zetten. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het economisch belang prevaleert. De rechtbank stelt vast dat er wel sprake is van beschermenswaardig familieleven met de kleinkinderen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe belangenafweging te maken, waarbij de belangen van de kleinkinderen en de impact van het foutieve eerdere besluit meegewogen moeten worden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuwe belangenafweging maken waarbij de belangen van de kleinkinderen worden betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52014

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Stijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een mvv [1] voor verblijf bij [referent] (referent, de zoon van eiseres) en zijn gezin op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak met verweerder tot het oordeel dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en referent en zijn echtgenote. Maar verweerder heeft ten aanzien van het familieleven met de kinderen van referent in de belangenafweging de belangen van die kleinkinderen, en de objectieve belemmering om het familieleven in Syrië uit te oefenen, onvoldoende betrokken en verder onvoldoende gemotiveerd dat alleen op grond van het economisch belang de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en achtergrond en onder 4 de grondslag van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of verweerder tot het oordeel kon komen dat tussen eiseres en referent en zijn gezin geen sprake is van familieleven. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of verweerder alle belangen, waaronder die van de kleinkinderen van eiseres, voldoende in kaart heeft gebracht en betrokken en of verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Aan het eind, vanaf 7, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv afgewezen. Deze afwijzing is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 3 december 2024 (hierna: het bestreden besluit).
2.1
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben referent, de gemachtigde van eiseres, J.M.A. Adib-Wiering als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de feiten en omstandigheden?
3. Eiseres, de moeder van referent, is geboren op [datum 1] 1963. Referent is geboren op [datum 2] 1986. Beiden hebben de Syrische nationaliteit.
3.1
Na het overlijden van de vader van referent is eiseres in 2015 bij referent, zijn echtgenote en kinderen ingetrokken. In 2018 is bij eiseres Alzheimer vastgesteld. Zij slikt hier medicatie voor.
3.2
Referent is in 2021 naar Nederland gekomen en heeft hier asiel aangevraagd. Zijn aanvraag is ingewilligd bij besluit van 3 augustus 2022.
3.2
Op 22 september 2022 heeft referent een aanvraag gedaan voor overkomst van zijn echtgenote, kinderen en eiseres. Bij besluit van 29 maart 2023 is deze aanvraag ingewilligd. In de aanhef van dat besluit staat ook de naam van eiseres vermeld. Verweerder heeft dit besluit op 31 maart 2023 gecorrigeerd en referent laten weten dat zijn moeder, eiseres, ten onrechte in het besluit is vermeld. Volgens verweerder is er nog niet op haar aanvraag beslist, omdat die aanvraag niet ziet op nareis maar op overkomst op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De afwijzing van die aanvraag bij besluit van 24 augustus 2023 ligt in deze procedure voor.
3.3
De kinderen en de echtgenote zijn in 2023 met referent herenigd. Tot hun vertrek is eiseres bij hen blijven wonen. Daarna is zij bij de zwager van referent gaan wonen.
3.4
Aan de zwager betaalt referent maandelijks een geldbedrag ten behoeve van eiseres. Eiseres heeft nog drie dochters.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder neemt in het primaire besluit geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aan tussen eiseres en referent, zijn echtgenote en hun kinderen. Volgens verweerder is tussen eiseres en referent en zijn echtgenote geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook is er volgens verweerder geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen de kleinkinderen en eiseres.
4.1
In het bestreden besluit heeft verweerder echter zijn standpunt gewijzigd en wél hechte persoonlijke banden tussen de kleinkinderen en eiseres aangenomen, omdat de kleinkinderen sinds hun geboorte altijd met eiseres hebben gewoond en eiseres een rol in de opvoeding van de kinderen heeft gehad. Het standpunt van verweerder ten aanzien van de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent en zijn echtgenote is niet gewijzigd.
4.2
Verweerder heeft ten aanzien van het familieleven tussen eiseres en de kleinkinderen een belangenafweging gemaakt om te kunnen bepalen of weigering van het verblijf van eiseres in Nederland in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder concludeert dat die weigering geen inbreuk maakt op artikel 8 van Pro het EVRM omdat, ondanks dat er sprake is van een objectieve belemmering, het economisch belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt.

Beroepsgronden

Wat is de status van het besluit van 31 maart 2023, waarmee het besluit van 29 maart 2023 is gecorrigeerd?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat met het besluit van 29 maart 2023 ook aan eiseres een mvv is verleend en dat zich geen intrekkingsgronden voordoen, zodat het aanvullende besluit van 31 maart 2023 daar niet aan af doet.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat, wat hier verder ook van zij, nu in het besluit van 31 maart 2023 een rechtsmiddelenclausule staat en eiseres tegen dat besluit geen bezwaarschrift heeft ingediend, het besluit van 31 maart 2023 in rechte vast staat. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat dit alsnog aan de orde kon worden gesteld in het bezwaar tegen het afwijzende besluit van 24 augustus 2023. Uit het besluit van 31 maart 2023 blijkt duidelijk dat eiseres niet valt onder het inwilligende besluit van 29 maart 2023. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is daarom volgens de rechtbank geen sprake. De rechtbank gaat er dus van uit dat met het besluit van 31 maart 2023 de inwilliging van de aanvraag van eiseres is gecorrigeerd, omdat haar naam - door een kennelijke verschrijving - op onjuiste gronden in het besluit van 29 maart 2023 is opgenomen.
5.2
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van familieleven tussen eiseres en referent en zijn echtgenote?
6. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [3] volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden [4] . Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond [5] ,de mate van financiële afhankelijkheid [6] ,de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [7] ,de banden met het land van herkomst [8] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [9] .Daarbij is van belang of het geheel aan elementen, en samen beoordeeld, tot de conclusie moet leiden dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verder is van belang dat de rechtbank verweerders beoordeling vol moet toetsen, nu het hier gaat om de vaststelling of sprake is van beschermenswaardig familieleven. De rechtbank verwijst naar de uitgebreide motivering daarvoor in diverse uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en neemt deze over. [10]
6.1
Eiseres voert aan dat er tussen haar en referent, en zijn echtgenote, wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens eiseres heeft verweerder niet het toetsingskader toegepast zoals dat volgt uit de rechtspraak van de Afdeling [11] en het arrest Martinez Alvarado [12] van het EHRM en dat verweerder een verkeerde uitleg van ‘more than emotional ties’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM heeft gehanteerd. Exclusiviteit van afhankelijkheid is immers niet vereist, zo voert eiseres aan.
6.2
Uit het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft sinds 2015, na het overlijden van haar echtgenoot, met referent en zijn gezin in Syrië samengewoond; met referent tot zijn vertrek in 2021 en daarna met het gezin van referent tot hun vertrek circa juli 2023. Dat betekent dat eiseres acht jaar met het gezin heeft samengewoond in Syrië. Tijdens de samenwoning was referent financieel verantwoordelijk voor het gezin, en zo ook voor eiseres. In het dossier zitten geen aanknopingspunten dat eiseres zelf financieel bijdroeg. Zij was dus destijds financieel afhankelijk van referent en zijn gezin. Na het vertrek van referent is deze financiële ondersteuning op afstand voortgezet.Eiseres lijdt sinds eind 2018/begin 2019 aan Alzheimer, maar niet is gebleken dat zij door haar klachten tijdens het samenwonen in Syrië al (medisch) afhankelijk was van referent en/of zijn gezin. Referent heeft immers verklaard dat eiseres destijds weliswaar enkele klachten vertoonde maar dat het over het algemeen goed met haar ging. Zij kon zichzelf verzorgen en was niet echt hulpbehoevend. [13] De medische verklaring daterend van 10 september 2022 is hiermee in overeenstemming. Na het vertrek van het gezin van referent wordt eiseres verzorgd door de zwager van referent. De zwager heeft aangegeven dit liever niet te willen, maar uit het dossier blijkt niet dat hij ook daadwerkelijk is gestopt met het verzorgen van eiseres en ook niet dat dit voor hem niet meer mogelijk zou zijn.
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder al deze door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden (in samenhang) bij zijn beoordeling betrokken en zijn standpunt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid uitvoerig en voldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat niet is onderbouwd waarom de financiële ondersteuning op afstand niet op dezelfde manier kan worden voortgezet en dat de afhankelijkheid door de Alzheimer van eiseres eerst is ontstaan na het vertrek van referent (en het gezin) en dat zij daarvoor door de zwager van referent wordt verzorgd. Niet aannemelijk is gemaakt waarom dit op deze manier niet kan worden voorgezet. Het beroep van eiseres op het arrest Martinez Alvarado maakt dit oordeel niet anders. Uit dit arrest volgt dat bijkomende elementen van afhankelijkheid ook bij een fysieke beperking aangenomen kunnen worden, maar dan moet het gaan om een zodanig fysieke beperking dat continue zorg door naaste familieleden moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is niet onderbouwd dat de medische situatie van eiseres en de aard en ernst van de aandoening continue zorg vereist. Daar komt bij dat niet is onderbouwd waarom de zwager niet de zorg voor eiseres kan voortzetten zoals hij dat nu doet en dat eventueel de zussen die verzorging niet op zich zouden kunnen nemen.
6.4
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de belangenafweging ten aanzien van het familieleven met de kleinkinderen in het nadeel van eiseres kunnen laten uitvallen?
7. Eiseres voert aan dat verweerder in de belangenafweging niet alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld en dat het bestreden besluit niet getuigt van een ‘fair balance’, zoals volgt uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Kort samengevat is ten onrechte in de afweging niet betrokken dat er met de brief van 29 maart 2023 verwachtingen zijn gewekt dat gezinshereniging werd toegestaan en dat ook eiseres naar Nederland kon komen om zich bij referent en zijn gezin te voegen. De enorme blijdschap die ten onrechte werd gewekt en de teleurstelling en emoties bij de correctie daarvan dienen meegewogen te worden. Daarnaast heeft verweerder de belangen van het kind onvoldoende in het besluit betrokken. Ook is, gezien het feit dat er sprake is van een objectieve belemmering, onvoldoende gemotiveerd waarom het economisch belang van de Nederlandse staat alsnog prevaleert boven het belang van eiseres en de kinderen.
7.1
Verweerder heeft de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit laten vallen. Daarbij heeft verweerder tegengeworpen dat de kleinkinderen sinds 2023 gescheiden van eiseres wonen en dat niet is gebleken dat dit de ontwikkeling van de kleinkinderen of hun functioneren negatief heeft beïnvloed. Verweerder gaat ervan uit dat het contact op afstand kan worden voortgezet of door bezoek aan eiseres. Ook heeft verweerder het standpunt ingenomen, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, dat de relatie tussen grootouders en hun kleinkinderen in het algemeen minder vergaande bescherming geniet dan die tussen ouders en minderjarige kinderen. Tot slot stelt verweerder zich ten aanzien van het abusievelijke positieve besluit van 29 maart 2023 op het standpunt dat dit geen bijzondere omstandigheid is. Omdat de aanvraag voor de echtgenote van referent en zijn kinderen een aanvraag voor nareis betrof, en voor eiseres een aanvraag voor familie- of gezinsleven in het kader van artikel 8 EVRM Pro, en het besluit op 31 maart 2023 is gecorrigeerd, weegt verweerder dit niet zwaar mee.
7.2
De rechtbank overweegt als volgt. Nu er beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en haar kleinkinderen is aangenomen, dient verweerder een belangenafweging te maken. De rechtbank dient te toetsen of verweerder daarbij alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.
7.3
Eiseres heeft in dit kader terecht aangevoerd dat de belangen van de kleinkinderen van eiseres niet voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Uit artikel 3 van Pro het IVRK [14] volgt de verplichting voor verweerder dat hij zich bij een besluit, waar kinderen betrokken zijn, actief rekenschap geeft van hun concrete belangen. Verweerder kon er niet zonder meer vanuit gaan dat gescheiden zijn van eiseres de ontwikkeling van de kleinkinderen of hun functioneren niet negatief beïnvloedt. Verweerder had het gezin in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten en de kleinkinderen moeten horen over wat voor weerslag het op hen heeft om zonder eiseres te leven.
7.4
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken wat het versturen van de foutieve toewijzingsbrief van 29 maart 2023 voor enorme impact op eiseres maar ook met name op de kleinkinderen heeft gehad. Ook daarover had verweerder de kleinkinderen in de gelegenheid moeten stellen hun verhaal te doen. Tot slot voert eiseres terecht aan dat, nu er sprake is van objectieve belemmering voor de kleinkinderen om het familieleven met eiseres uit te oefenen, verweerder niet heeft kunnen volstaan met een algemene verwijzing naar het economisch belang van de Nederlandse staat om de belangenafweging in het nadeel van eiseres te laten uitvallen [15] .
7.5
De rechtbank is, concluderend, van oordeel dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien en enigszins terughoudend toetsend, in de door verweerder gemaakte afweging onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen doorslaggevend gewicht is toegekend aan de objectieve belemmering en de belangen van de kleinkinderen, zeker nu er, behalve het economische belang, door verweerder geen andere zwaarwegende belangen aan de zijde van de Nederlandse staat zijn aangevoerd. Verweerder heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt.
7.6
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 3 december 2024. Omdat de belangen van de kleinkinderen nader moeten worden onderzocht en verweerder een nieuwe belangenafweging dient te maken, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van tien weken.
7.1
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (€ 934,- per handeling met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 december 2024;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
5.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
6.Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/08.
7.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
8.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
9.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96
11.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021.
13.Pagina 5 van het gehoor ambtelijke commissie.
14.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
15.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:345.