ECLI:NL:RBDHA:2026:20531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38804
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en non-refoulement bij uitzetting Unieburger naar Polen

De zaak betreft een beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, een Poolse onderdaan en Unieburger, op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat uitzetting naar Polen in strijd is met het non-refoulementbeginsel omdat hij daar gevaar loopt vanwege bedreigingen door veroordeelden die op zoek zijn naar hem.

De minister heeft in het bestreden besluit uitvoerig getoetst aan het non-refoulementbeginsel en concludeert dat eiser zijn vrees niet concreet heeft onderbouwd. Polen wordt als rechtsstaat en lidstaat van de EU beschouwd waar effectieve rechtsbescherming bestaat. De rechtbank volgt deze beoordeling en stelt dat het non-refoulementbeginsel primair geldt voor derde-landers, niet voor Unieburgers zoals eiser.

De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en oordeelt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. van Eerde en griffier D.K. Bloemers.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38804

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [2]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden en eiser kan worden uitgezet naar Polen. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [3]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Kakuza als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is uitzetting naar Polen in strijd met het beginsel van non-refoulement?
3. Eiser voert aan dat hij telkens na zijn uitzetting uit Nederland weer terugkeert, omdat hij gevaar loopt in Polen. Eiser is getuige geweest van een moord en de personen die daarvoor veroordeeld zijn, zijn na een gevangenisstraf van jaren vrijgelaten. Deze personen zijn op zoek naar eiser. Eiser voelt in Polen geen bescherming van de politie tegen deze personen. Gelet op deze situatie meent eiser dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. [4]
3.1.
De minister voert aan dat in het bestreden besluit getoetst is aan het beginsel van non-refoulement [5] , terwijl de minister daartoe niet was gehouden. Eiser is immers een Unieburger. De minister volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt en verwijst ter onderbouwing nog naar een tweetal uitspraken. [6]
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten overvloede in het bestreden besluit uitvoerig heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement. Daarbij heeft de minister, onder meer, overwogen dat eiser zijn gestelde vrees niet concreet heeft kunnen maken en ook niet heeft onderbouwd. Ook de stelling dat de Poolse autoriteiten eiser niet zouden kunnen beschermen berust enkel op een niet onderbouwd vermoeden. De minister overweegt verder dat niet gebleken is dat eiser ooit om bescherming heeft gevraagd bij de Poolse autoriteiten tegen deze personen en dat de autoriteiten niet bereid of niet in staat zouden zijn om hem bescherming te bieden. Polen is een lidstaat van de Europese Unie en een rechtsstaat waarin effectieve rechtsbescherming en toegang tot de bevoegde autoriteiten in beginsel zijn gewaarborgd.
3.2.1. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar de door de minister aangehaalde uitspraken – dat de toets aan het beginsel van non-refoulement plaatsvindt bij de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat eiser Unieburger is. Niet gebleken is dat zich in het geval van eiser een uitzondering voordoet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Zie de uitspraak van het HvJEU van 4 september 2026 in de zaak Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
5.Zie pagina 5, laatste 3 alinea’s en verder.
6.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2499 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 17 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5722.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.