ECLI:NL:RBDHA:2026:20535

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39021
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onzorgvuldige voorbereiding en visuele beperking

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander uit Oekraïne, werd op 13 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op zijn verwijdering naar Nigeria. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de terugkeer, ondanks dat eiser een verlopen paspoort bezit en een aanzienlijke visuele beperking heeft die zijn zelfredzaamheid ernstig beperkt.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid, mede doordat de medische escort en vluchtplanning pas na oplegging van de maatregel werden gestart, terwijl dit vooraf mogelijk was geweest. De visuele handicap van eiser maakt de detentie en terugkeer extra belastend, wat de rechtbank meeneemt in haar oordeel.

De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring en invrijheidstelling van eiser. Tevens kent zij een schadevergoeding toe van 150% van het normbedrag vanwege de bijzondere omstandigheden. De proceskosten worden eveneens aan verweerder opgelegd.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en voortvarende voorbereiding van vrijheidsbenemende maatregelen, zeker bij kwetsbare personen, en bevestigt dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onzorgvuldige voorbereiding en de visuele beperking van eiser, met toekenning van een verhoogde schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39021

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1998, Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer] ,
eiser,
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Volker).

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is en moet worden opgeheven. De beroepsgronden richten zich tegen de verbalisering van het voortraject, het onttrekkingsrisico en het lichter middel.
3. Verweerder heeft ter zitting gereageerd op de beroepsgronden en op vragen over de ambtshalve door de rechtbank aan de orde gestelde voortvarendheid waarmee verweerder handelt.
4. De rechtbank zal eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt.
5. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is als zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’ Nederland ingereisd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van
24 november 2025 het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:22113). Eiser heeft hoger beroep ingesteld zonder om een voorlopige voorziening te verzoeken. De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan op het hoger beroep. Eiser heeft op 28 januari 2026 een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro ingediend. Dit verzoek is op 19 februari 2026 afgewezen. Eiser heeft hiertegen een rechtsmiddel aangewend waarop ten tijde van deze uitspraak nog niet is beslist. De gemachtigde van eiser heeft tevens bij de directeur van het DTC een verzoek ingediend om de detentiegeschiktheid te beoordelen. Op dit verzoek is ook nog niet beslist.
6. Eiser is ‘visueel beperkt’, wat concreet betekent dat eiser nagenoeg blind is en slechts met één oog nog 1% zicht heeft. Het zicht van eiser is in korte tijd ten gevolge van een degressieve ziekte aanzienlijk verminderd. Verweerder is hiervan op de hoogte omdat deze visuele handicap de reden van het verzoek om uitstel van vertrek en de reden om een BMA-advies uit te brengen is.
7. Verweerder weet dat eiser in het bezit is van een paspoort, uitgegeven door de Nigeriaanse autoriteiten en geldig van 5 maart 2020 tot 4 maart 2025. Dit heeft eiser namelijk al medegedeeld bij zijn inreis in Nederland en het indienen van zijn asielaanvraag op 10 oktober 2023. Dit paspoort is op 17 oktober 2023 door eiser overgelegd, op authenticiteit gecontroleerd en vervolgens aan eiser teruggegeven. Tijdens de ophouding op 13 juli 2026 is dit paspoort weer door eiser aan verweerder overhandigd. Verweerder weet ook dat eiser verblijft in de ‘Oekraïne Opvang’ in Venray. Op die locatie is eiser immers staandegehouden.
8. Eiser verblijft thans illegaal in Nederland omdat de twee procedures die aanhangig zijn geen procedureel rechtmatig verblijf opleveren. Verweerder is dus verplicht om eiser te verwijderen naar Nigeria. Uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd blijkt dat hij niet wil terugkeren naar Nigeria omdat hij zich ernstig zorgen maakt over -kort gezegd- zijn zelfredzaamheid omdat hij nagenoeg blind is. Verweerder neemt in de maatregel terecht aan dat eiser niet uit eigen beweging zal voldoen aan zijn vertrekplicht. Dit betekent evenwel niet dat het daarom reeds noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser in bewaring te stellen om de verwijdering voor te bereiden en uit te voeren.
9. Een algemeen vereiste in elke bewaringsprocedure en ongeacht de grondslag, is dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren. Ten aanzien van de bewaring ter fine van terugkeer heeft de Uniewetgever dit uitdrukkelijk bepaald in artikel 15, eerste lid, van richtlijn 2008/115, waarin onder meer is vermeld dat ‘de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.’
10. In deze procedure heeft te gelden dat de rechterlijke controle van het terugkeerbesluit dat de grondslag van de maatregel vormt heeft plaatsgevonden op
24 november 2025. Verweerder wist na ommekomst van de beroepstermijn van 4 weken, dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had en de verwijdering ter hand kon en moest worden genomen. Verweerder is nog niet tot verwijdering overgegaan maar is wel, behoudens de periode waarin is beslist op de aanvraag om uitstel van vertrek, begonnen met de voorbereiding van de terugkeer van eiser. Uit het dossier volgt dat deze voorbereiding echter beperkt is gebleven tot het eenmalig uitnodigen voor een vertrekgesprek op
22 januari 2026. Eiser is niet verschenen maar ter zitting is door gemachtigde van eiser de vraag opgeworpen of eiser alleen schriftelijk is uitgenodigd of dat eiser, vanwege zijn visuele handicap, ook op andere wijze is medegedeeld dat hij een gesprek moet voeren met de DT&V over zijn terugkeer naar Nigeria. Deze vraag is ter zitting niet beantwoord. In het dossier is vermeld dat er op 6 maart 2026 een telefonisch gesprek tussen de regievoerder en eiser zou hebben plaatsgevonden waarin eiser onder meer zou hebben gezegd dat terugkeer voor hem geen optie is omdat hij in Oekraïne de opleiding tot piloot volgde en vanwege zijn oogziekte dit toekomstperspectief is weggevallen en dit tot gevoelens van depressiviteit en verdriet leidt. Eiser heeft verklaard dat hij alles in het werk zal stellen om een verblijfsrecht ter verkrijgen. De rechtbank heeft verweerder gevraagd of er een verslag van dit gesprek is opgemaakt maar dit is niet het geval. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen van de weergave van de inhoud van dit gesprek in de maatregel. Tussen 6 maart 2026 en de staandehouding op 13 juli 2026 hebben geen handelingen plaatsgevonden om de verwijdering voor te bereiden, behoudens het aanvragen van een machtiging tot binnentreden en het zorgdragen voor begeleiding door de medische dienst bij het binnentreden vanwege de slechtziendheid van eiser.
11. Na de oplegging van de maatregel op 13 juli 2026, heeft er op 17 juli 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en is op die dag nagegaan of er een LP nodig was voor de terugkeer en is op 20 juli 2026 een vluchtaanvraag gedaan. Eiser wordt ten tijde van het onderzoek ter zitting 9 dagen in bewaring gehouden en op dat moment zijn nog geen vluchtgegevens bekend. Doorgaans leidt het verrichten van deze vertrekhandelingen in deze tijdspanne tot de conclusie dat voortvarend aan de voorbereiding van de verwijdering wordt gewerkt. In de onderhavige procedure volstaat deze handelwijze echter niet.
12. Het vertrekgesprek dat op 17 juli 2026 heeft plaatsgevonden is weliswaar een vertrekhandeling, maar verweerder was al op de hoogte van de proceshouding van eiser en in die zin voegt dit gesprek niet zoveel toe aan het daadwerkelijke voorbereiden van de feitelijke uitzetting. De voorbereiding zal in deze procedure dan ook met name (moeten) zijn gericht op het organiseren van het vertrek. Het verbaast de rechtbank in dit verband dat verweerder aangeeft dat de DT&V op de vijfde dag van de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel moet nagaan of de verkrijging van een LP vereist is om de terugkeer te laten plaatsvinden. Op de openbaar te raadplegen website van de DT&V valt namelijk te lezen dat het mogelijk is om naar Nigeria terug te keren met een geldig en verlopen paspoort. Verweerder had zich dit moeten realiseren alvorens de staandehouding met het oog op een mogelijk op te leggen maatregel in te plannen. Door de visuele handicap van eiser is ook duidelijk dat eiser zal moeten worden begeleid tijdens de reis. Dit volgt namelijk uit het BMA-advies. Het organiseren van een medische escort neemt niet alleen tijd in beslag, maar doorgaans is een vertrek met een medische escort niet per ommegaande mogelijk vanwege de beschikbaarheid van deze escorts. Ter zitting heeft de rechtbank waargenomen dat eiser zodanig beperkt is in zijn bewegingsvrijheid dat hij zich met behulp van zogenoemde ‘blindegeleidestok’ zeer langzaam verplaatst en zowel bij het gaan zitten als bij het opstaan uit een ‘normale’ stoel aanzienlijke hulp nodig heeft. De gemachtigde van eiser heeft eiser ondersteund door hem fysiek te helpen en het aantal graden te benoemen dat eiser moet draaien om te kunnen gaan zitten. Nog daargelaten de verklaringen van eiser en de door zijn gemachtigde gegeven toelichting over de feitelijke zelfredzaamheid is evident dat eiser buitengewoon beperkt is in het zich voortbewegen en het zich zelfstandig kunnen redden bij basisgedragingen zoals lopen en zitten. Eiser heeft bovendien ook een glaasje water dat de rechtbank tijdens een korte onderbreking heeft aangeboden afgeslagen omdat hij dan naar het toilet zou moeten en dat lastig is. De parketpolitie heeft ook ingestemd dat eiser tijdens deze onderbreking in de zittingszaal kon blijven omdat de trap naar het lager gelegen cellencomplex in het gerechtsgebouw ondanks de fysieke ondersteuning door hen een moeilijk begaanbare weg voor eiser is.
13. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de staandehouding, ophouding en het gehoor inbewaringstelling vergelijkbare waarnemingen zal hebben gedaan. Het is dan ook duidelijk dat de oplegging van een maatregel voor eiser praktisch gezien tot problemen leidt en de tenuitvoerlegging van de maatregel in die zin een aanzienlijk grotere beperking tot gevolg zal hebben dan voor andere inbewaringgestelden die zich (relatief) vrij in het DTC kunnen bewegen en daarbij hun nieuwe leefomgeving, de overige bewoners van het DTC en het personeel van het DTC en de overige aanwezigen kunnen zien.
14. De rechtbank overweegt dat deze concrete omstandigheden meebrengen dat verweerder de maatregel zorgvuldiger had moeten voorbereiden om zo zorg te dragen dat zou worden voldaan aan een zo kort mogelijke periode van vrijheidsontneming.
15. Verweerder heeft na het telefoongesprek dat op 6 maart 2026 tussen de regievoerder en eiser heeft plaatsgevonden een periode van ruim vier maanden de tijd genomen om over te gaan tot de inbewaringstelling. De rechtbank weet dat de Afdeling uit het Unierecht afleidt dat het vereiste van voortvarend handelen geldt vanaf de oplegging van de maatregel. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder vanaf het opleggen van het terugkeerbesluit zo spoedig mogelijk tot uitvoering van het terugkeerbesluit moet overgaan omdat het Hof dit heeft verduidelijkt in het arrest TQ (arrest van het Hof in de zaak TQ van 14 januari 2021, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9). Als verweerder gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel onvoldoende voortvarend handelt moet de maatregel worden opgeheven, maar dit betekent niet dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, geen eisen kunnen worden gesteld aan de voorbereiding van de maatregel.
16. In dit geval had verweerder aanleiding moeten zien om na het bewaringsgehoor en dus na het feitelijk waarnemen van de visuele beperkingen die eiser thans heeft, eiser te laten terugkeren naar de opvang en eiser mede te delen dat de terugkeerprocedure wordt opgestart. Verweerder had het bewaringsgehoor als een vertrekgesprek kunnen beschouwen en vervolgens een vluchtaanvraag met medische escorts kunnen plannen en zodra de vluchtdatum bekend zou zijn, in overleg met de gemachtigde van eiser, kunnen bespreken of eiser bereid is om mee te werken met het vervoer naar Schiphol. Op deze wijze had de oplegging van de maatregel voorkomen kunnen worden of kunnen worden beperkt tot enkele dagen. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat dit oordeel is gebaseerd op het uitzonderlijke feitencomplex van deze procedure en meer in het bijzonder de forse visuele beperking van eiser en de omstandigheid dat verweerder eiser niet in persoon ‘nodig heeft’ om een vlucht met medische escorts aan te vragen vanwege het in bezit hebben van het (verlopen) paspoort van eiser.
17. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom hier niet voor is gekozen temeer omdat de visuele beperking die eiser inmiddels heeft, hem waarschijnlijk ondanks de gronden die het onttrekkingsrisico onderbouwen, niet in staat stelt om de opvang zelfstandig te verlaten en zo niet langer beschikbaar te zijn voor verweerder. Verweerder heeft daarop gewezen op de mogelijkheid van derden om eiser daarbij behulpzaam te zijn. De rechtbank stelt evenwel vast dat op grond van het dossier en de verklaringen die eiser ter zitting heeft afgelegd, geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de veronderstelling dat derden op deze wijze betrokken zijn bij eiser.
18. De rechtbank overweegt dat eiser in beroep mailcorrespondentie met de ‘Locatiemanager Oekraïne Opvang Venray’ heeft overgelegd, in welke opvanglocatie eiser verbleef ten tijde van zijn staandehouding. In deze brief is vermeld dat eiser kan terugkeren naar deze opvang en dat zijn kamer voor hem wordt vrijgehouden in het geval eiser in vrijheid wordt gesteld.
19. De rechtbank zal eiser in vrijheid stellen zodat eiser in deze opvanglocatie, waar eiser bekend is met de ruimtes en leefomgeving en waar de medewerkers en andere bewoners zijn ingesteld op het ondersteunen van eiser bij zijn dagelijkse bezigheden, kan verblijven in afwachting van zijn vertrek naar Nigeria. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgronden en rechtmatigheidsaspecten van de maatregel te beoordelen omdat dit niet tot een andere conclusie kan leiden. De maatregel is dus onrechtmatig omdat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid en verweerder meer aan de voorbereiding had moeten werken alvorens de maatregel op te leggen. In deze specifieke procedure had verweerder aanleiding moeten zien om de feitelijke terugkeer reeds voor te bereiden door het verkrijgen van een concrete vlucht met medische escorts alvorens de maatregel op te leggen. Door deze handelingen pas te verrichten na het opleggen van de maatregel, waardoor de maatregel simpelweg langer duurt, is het opleggen van de maatregel gelet op de forse visuele problematiek van eiser en de daardoor zeer beperkte zelfredzaamheid onrechtmatig omdat deze maatregel niet zo kort mogelijk duurt. De rechtbank overweegt tot slot dat het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek op korte termijn door deze rechtbank en zittingsplaats zal worden behandeld en in die procedure zal het refoulementrisico actueel worden beoordeeld omdat dat de inzet van die procedure is.
20. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor schadevergoeding. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de standaardmatig toegekende bedragen omdat het ondergaan van de maatregel voor eiser vanwege zijn visuele handicap zeer zwaar is geweest, zoals eiser ter zitting heeft verklaard. De rechtbank hanteert 150% van het normbedrag voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij 1 punt toekennen voor het verschijnen ter zitting. De kennisgeving van de bewaring wordt weliswaar gelijkgesteld met een beroep. Het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet evenwel op een vergoeding van verrichte proceshandelingen en de wetgever heeft bepaald dat er geen proceshandeling hoeft te worden verricht om een rechtmatigheidsbeoordeling van een bewaringsmaatregel te verkrijgen omdat verweerder de rechtbank in kennis moet stellen van de oplegging van de maatregel
21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.980,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Janssens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.