Overwegingen
1. In het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 heeft verweerder vermeld dat eisers recht op tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024 en is bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft en hij Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten en anders kan worden verwijderd. Tevens is medegedeeld dat het terugkeerbesluit wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. In het terugkeerbesluit is verder vermeld dat eiser ten tijde van de vaststelling van het besluit onder de zogenoemde ‘bevriezingsmaatregel’ valt, die op 4 september 2025 zal eindigen. Omdat eiser een openstaande beroepszaak tegen het eerder aan hem opgelegde terugkeerbesluit heeft mag hij van verweerder blijven werken en gebruik maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen tot 4 september 2025 of zoveel langer totdat uitspraak is gedaan op dit beroep. Verweerder heeft verder bepaald dat eiser vanaf de datum van de uitspraak op beroep een termijn van vier weken heeft om uit Nederland te vertrekken.
2. Verweerder heeft aan eiser tijdelijke bescherming op grond van de RTB verleend terwijl hij daartoe, volgens verweerder, niet verplicht was. De meest verstrekkende grond die eiser heeft aangevoerd is dat aan eiser verplicht bescherming op grond van de RTB had moeten worden verleend. Eiser heeft met Google Translate de Hongaarse taalversie van het Uitvoeringsbesluit RTB in het Nederlands vertaald en daaruit blijkt, volgens eiser, dat in de Hongaarse versie niet is vermeld dat (uitsluitend) derdelanders met een door de Oekraïense autoriteiten verstrekte ‘
permanente’verblijfstitel onder de werkingssfeer van de RTB vallen. Dit duidt er op dat aan iedere derdelander met ‘
een verblijfstitel in Oekraïne’ verplicht tijdelijke bescherming moest worden geboden en dat van een beëindiging van eisers recht op dit moment dus geen sprake kan zijn. Gelet op meerdere Unierechtelijke beginselen en omdat er tussen de lidstaten kennelijk geen consensus bestaat over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, moet bij twijfel over de inhoud de voor de justitiabele meest gunstige interpretatie worden gekozen. Lidstaten geven bovendien op verschillende wijzen uitvoering aan de RTB en dat doet afbreuk aan de rechtszekerheid en de doeltreffendheid. Overigens bepaalt artikel 28, vijfde lid, VEU dat wanneer een lidstaat wordt geconfronteerd met ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een Uniebesluit, deze moeilijkheden aan de Raad moeten worden voorgelegd, opdat passende oplossingen worden gezocht. Zulke oplossingen dienen in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van het oorspronkelijke besluit en mogen de effectiviteit ervan niet ondermijnen. Ook uit deze bepaling volgt dat Nederland bij fundamentele uitvoeringstwijfels door verweerder – zoals in deze zaak aan de orde – gehouden was tot coördinatie met de Raad alvorens zelfstandig tot beëindiging van bescherming over te gaan. Verder ontbreekt in het besluit een individuele belangenafweging en is dit een motiveringsgebrek. Eiser heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat hij een intensief revalidatietraject volgt in verband met visuele problemen.
3. De rechtbank zal het beroep voor zover dit is gericht tegen het op 17 augustus 2023 vastgestelde terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep omdat hij door de intrekking van dat besluit door verweerder rechtmatig verblijf heeft gekregen en dat de inzet van die procedure was. Dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank zal wel een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het besluit terecht is ingetrokken. De rechtbank constateert dat verweerder destijds ‘twee punten’ had aangeboden. Eiser heeft dat aanbod tot een proceskostenveroordeling echter niet aanvaard. De rechtbank hanteert bij het vaststellen van de proceskostenveroordeling de standaardmatig toegekende punten en bedragen zoals die volgen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank heeft het beroep voor zover dit was gericht tegen het op 17 augustus 2023 vastgestelde terugkeerbesluit niet ter zitting behandeld en zal daarom alleen een proceskostenveroordeling uitspreken voor het instellen van beroep, 1 punt dus.
4. De rechtbank zal voorts het beroep voor zover dit is gericht tegen het op 24 juli 2025 vastgestelde terugkeerbesluit ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
5. De beroepsgronden waarin eiser betoogt dat aan eiser verplicht tijdelijke bescherming moest worden geboden slagen niet. Zoals ter zitting besproken heeft het Hof in haar arrest van 19 december 2024 (ECLI:EU:C:2024:1038) de door de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam en de Afdeling gestelde prejudiciële vragen beantwoord. Deze vragen en dus ook het arrest, hebben betrekking op de wijze waarop in Nederland invulling is gegeven aan de RTB en meer in het bijzonder op de wijze waarop gebruik is gemaakt van de zogenoemde ‘facultatieve bepaling’. De prejudiciële vragen zagen onder meer op de vraag of het gebruik maken van de facultatieve bepaling ook de bevoegdheid om dit gebruikmaken te beëindigen impliceert. In de procedures waarin de vragen zijn gesteld, is tijdelijke bescherming verleend aan derdelanders die door de Oekraïense autoriteiten in het bezit waren gesteld van een tijdelijke verblijfsvergunning en in die procedures zijn de betreffende derdelanders onder de werkingssfeer van de RTB gebracht doordat verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om tijdelijke bescherming te bieden aan derdelanders die niet verplicht moesten worden beschermd. In de beide verwijzingsuitspraken is de Nederlandse implementatie van de RTB, het Nederlandse beleid, de bezwaren hiertegen en de divergerende rechtspraak uitvoerig uiteengezet. Het Hof is dus gedetailleerd op de hoogte gesteld van de in de nationale rechtspraktijk opgekomen rechtsvragen en de twijfel over de wijze waarop verweerder toepassing heeft gegeven aan de facultatieve bepaling.
6. Het Hof is, zo meent de rechtbank, zéér strikt in het nagaan of prejudiciële vragen ontvankelijk zijn en inhoudelijk moeten worden beantwoord en het Hof gaat dit uit eigen beweging en ongeacht het advies van de AG na. De rechtbank overweegt dat indien het Unierecht en meer in het bijzonder de RTB en het Uitvoeringsbesluit, aldus zou moeten worden uitgelegd dat ook derdelanders die ten tijde van de Russische invasie door de Oekraïense autoriteiten in het bezit waren gesteld een tijdelijke verblijfsvergunning verplicht beschermd moesten worden door de lidstaten, het Hof de vraag of verweerder de tijdelijke bescherming voor deze groep derdelanders mocht beëindigen niet-ontvankelijk zou hebben verklaard. Het Hof is weliswaar niet om verduidelijking van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit gevraagd. Indien derdelanders zoals eiser echter onder de verplicht beschermde ontheemden zouden vallen, is de vraag of het aanwenden van de facultatieve bepaling in de weg staat aan het (tussentijds) beëindigen van de tijdelijke bescherming echter niet relevant. In dat geval zou het Hof de betreffende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk hebben verklaard omdat de beantwoording niet noodzakelijk is om de betreffende hoofdgeschillen te beslechten. De facultatieve bepaling zou dan immers niet van toepassing zijn op deze categorie ontheemden. Het Hof heeft in de nadere precisering van het Unierecht de Nederlandse toepassing van de RTB en het Uitvoeringsbesluit niet onverenigbaar met het Unierecht geacht voor zover deze toepassing betrekking heeft op het onverplicht bieden van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit Oekraïne en het beëindigen hiervan. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat de Afdeling de categorie derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning ook niet als verplicht beschermde ontheemden heeft aangemerkt en dat ook in de publicaties van EUAA voor deze uitleg geen steun te vinden is.
7. Het Hof heeft in haar arrest van 6 oktober 1982 in de zaak Srl CILFIT (Arrest van het Hof van 6 oktober 1982 in de zaak Srl CILFIT en Lanificio di Gavardo SpA tegen Ministerie van Volksgezondheid, C-383/81, ECLI:EU:C:1982:335, punt 18) geduid dat de verschillende taalversies van de teksten van gemeenschapsrecht gelijkelijk authentiek zijn en dat de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies vereist. Het Hof heeft echter kennelijk geen aanleiding gezien om een dergelijke vergelijking te maken om te bezien of de taalversies van het Uitvoeringsbesluit gelijkluidend zijn met betrekking tot de kring van RTB-begunstigden. Dat dit mogelijk is veroorzaakt doordat de Franse taal de spreektaal van het Hof is en alle rechters die het arrest van 19 december 2024 hebben gewezen daarom dezelfde taalversie van de RTB, het Uitvoeringsbesluit, de dossierstukken, de Conclusie en de conceptuitspraken hebben bestudeerd, zoals ter zitting door eiser geopperd, volgt de rechtbank niet. De prejudiciële vragen zijn gelet op de behandeling in de versnelde procedure weliswaar niet aan elke lidstaat betekend, maar de Europese Commissie is in deze verwijzingsprocedure wel vertegenwoordigd en ook tijdens de behandeling ter zitting op 3 september 2024 bij het Hof verschenen en de rechtbank vermoedt dat de Europese Commissie een zodanig groot verschil in de taalversies zou hebben opgemerkt, temeer nu de kern van de RTB het bieden van tijdelijke bescherming aan ontheemden is. De Europese Commissie zal in deze verwijzingsprocedure zonder meer helder in beeld hebben gehad welke ontheemden de Unie tijdelijke bescherming heeft willen bieden en welke verplichtingen de lidstaten in dit verband hebben. De rechtbank overweegt voorts dat het door de verwijzende rechter overgelegde procesdossier en de verwijzingsuitspraak in de taal van de betreffende lidstaat aan de rechters van het Hof worden aangeboden. Zoals uit het arrest blijkt heeft ook de Hongaarse rechter bij het Hof als lid van de Grote Kamer het arrest van 19 december 2024 mede-gewezen. Indien er enig misverstand zou hebben bestaan over de kring van begunstigden van de RTB en van de verplichtingen van de lidstaten om aan ontheemden met een tijdelijke verblijfsvergunning ook tijdelijke bescherming te bieden, zou dat niet onopgemerkt zijn gebleven. De rechtbank wijst er op dat in het arrest in de opsomming van ‘de toepasselijke bepalingen’ bovendien artikel 2, leden 1 tot en met 3, van het Uitvoeringsbesluit is weergegeven.
8. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande geen aanleiding om, zoals ter zitting besproken, de Hongaarse taalversie van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse taal te laten vertalen door een beëdigd vertaler en de rechtbank heropent het onderzoek evenmin om eiser in de gelegenheid te stellen deze vertaling te overleggen. Voor zover de Hongaarse taalversie een ruimer toepassingsbereik van de RTB zou voorschrijven betekent dit bovendien niet dat alle lidstaten deze taalversie moeten toepassen.
9. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder niet gehouden was om conform artikel 28, vijfde lid, VEU vanwege ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een Uniebesluit, deze moeilijkheden aan de Raad voor te leggen of vanwege fundamentele uitvoeringstwijfels gehouden was tot coördinatie met de Raad alvorens zelfstandig tot beëindiging van bescherming over te gaan. Zoals verweerder in zijn briefverweer en ter zitting heeft toegelicht is van een dergelijke situatie geen sprake geweest. De rechtbank wijst er op dat in de RTB en het Uitvoeringsbesluit aan het beëindigen van het toepassen van de facultatieve bepaling geen voorwaarden met betrekking tot de redenen voor beëindiging zijn gesteld en dat het Hof bij de uitlegging van de relevante bepalingen hier ook geen nadere verduidelijking noodzakelijk heeft geacht. Verweerder heeft, aldus het Hof, de bevoegdheid om de derdelanders die hij door toepassing te geven aan de facultatieve bepaling onder de werkingssfeer van de RTB heeft gebracht, er ‘ook weer uit te halen’ door de tijdelijke bescherming zelf te beëindigen voor deze categorie ontheemden en verweerder heeft deze bevoegdheid ook gebruikt.
10. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het beëindigen van de tijdelijke bescherming in strijd is met de doelstelling van harmonisatie van regelgeving, overweegt de rechtbank dat deze beoogde harmonisatie ziet op gelijkluidende toepassing van de RTB en het Uitvoeringsbesluit. De Uniewetgever heeft evenwel voorzien in een ‘facultatieve bepaling’. Dit betekent dat de lidstaten de bevoegdheid hebben om aan méér categorieën van ontheemden ook tijdelijke bescherming te bieden. Doordat de individuele lidstaten deze keuze zelfstandig kunnen maken met alleen de verplichting om de Europese Commissie te informeren indien zij deze bevoegdheid aanwenden, is reeds voorzien in mogelijk verschillende regelgeving en beleid op nationaal niveau. De Uniewetgever heeft hier uitdrukkelijk voor gekozen zodat het argument van eiser dat er in wezen op neerkomt dat alle lidstaten op dezelfde wijze invulling moeten geven aan de facultatieve bepaling omdat er anders geen sprake is van daadwerkelijke harmonisatie van de beschermingsrechten, dan ook niet slaagt. Het Unierecht bepaalt de ondergrens van de bescherming die de lidstaten moeten bieden. De lidstaten mogen altijd in hun nationale regelgeving en beleid meer bescherming bieden en in de RTB is uitdrukkelijk voorzien in deze mogelijkheid.
11. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser behoort tot de categorie personen aan wie verweerder
onverplichttijdelijke bescherming op grond van RTB heeft verleend en welke bescherming nu door verweerder is beëindigd en jegens wie daarom een terugkeerbesluit is vastgesteld. De overige beroepsgronden van eiser die tegen dit besluit zijn gericht slagen ook niet. De rechtbank motiveert dit als volgt.
12. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraken van 15 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17077, ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, JV 2025/272 met annotatie van mr. A. Pahladsingh, en ECLI:NL:RBDHA:2025:170790 onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32) en van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829) overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel en dat de beëindiging niet disproportioneel of onevenredig is. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraken van 15 september 2025. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank die is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2025:17079 op 15 september 2025 heeft bevestigd met een zogenoemde 91.2 Vw-motivering. De Afdeling publiceert dit soort ‘kale bevestigingen’ niet, vandaar dat de rechtbank dit ter zitting aan partijen heeft voorgehouden. De beroepsgronden die hiermee verband houden slagen dan ook niet, daargelaten dat eiser deze gronden ook niet heeft onderbouwd. 13. De rechtbank heeft in de drie op 15 september 2025 gedane uitspraken ook overwogen dat de rechtbank de bevriezingsregeling aanmerkt als een collectieve uitstel van vertrek-regeling. Uit de bovengenoemde bevestiging door de Afdeling blijkt dat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moesten worden. De rechtbank gaat er van uit dat indien de rechtbank de bevriezingsregeling ten onrechte als niet onverenigbaar met het Unierecht had aangemerkt, de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zou hebben vernietigd. In dat geval had immers (nog) geen vaststelling van illegaal verblijf kunnen plaatsvinden en zou het terugkeerbesluit onrechtmatig zijn. De beroepsgrond dat het terugkeerbesluit prematuur is vastgesteld slaagt dus ook niet.
14. De rechtbank is op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit, welke rechterlijke controle een fase in de terugkeerprocedure is, rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Om aan deze verplichting te voldoen dient de rechtbank -zo nodig ambtshalve- na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de oplegging van een terugkeerbesluit.
15. De rechtbank overweegt dat deze beoordeling geen verband houdt met artikel 8 EVRM. Uit vaste jurisprudentie van het Hof volgt dat richtlijn 2008/115 noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld regelt en dat hieruit volgt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander. Het Hof heeft ook uitdrukkelijk overwogen dat wat in het bijzonder artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 betreft, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen om humanitaire redenen een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders (zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, EU:C:2022:913, punten 84-86).
16. De rechtbank overweegt dat uit deze uitleg volgt dat richtlijn 2008/115 niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf, aan deze richtlijn dan ook geen verblijfsrecht kan worden ontleend en uit deze richtlijn dan ook geen verplichting voor verweerder kan voortvloeien om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. Artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 brengt om dezelfde redenen ook geen verplichting mee voor de rechterlijke autoriteit om ambtshalve na te gaan of een verblijfsvergunning of andere toestemming van verblijf moet worden verleend. De mogelijkheid die de Uniewetgever in deze bepaling aan de lidstaten biedt om bij wijze van uitzondering op de plicht om een terugkeerbesluit te nemen jegens illegaal verblijvende derdelanders, te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen te beslissen deze derdelander een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven, betekent dus niet dat niet mag worden verwacht dat daartoe een aanvraag om zo een verblijfsrecht wordt gedaan. Richtlijn 2008/115 regelt dit namelijk niet en de wijze waarop de lidstaten al dan niet van deze bevoegdheid gebruik maken valt dan ook onder de procedurele autonomie van de lidstaten.
17. De vraag of aan eiser al dan niet een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf moet worden verleend, vergt dus een andere beoordeling dan de vraag of verweerder bij het nemen van het terugkeerbesluit rekening heeft gehouden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en of verweerder het beginsel van non-refoulement heeft geëerbiedigd. Indien eiser meent dat hij aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen. Dat andere lidstaten volgens eiser wel of anders rekening houden met persoonlijke omstandigheden zoals werk, bestaanszekerheid en maatschappelijke integratie van het verblijfsrecht voor derdelanders uit Oekraïne is daarom niet relevant. Welk toelatingsbeleid de lidstaten voeren voor ontheemden uit Oekraïne ziet namelijk niet op de verplichtingen die verweerder heeft bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115.
18. De rechtbank overweegt dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staan. Uit het dossier, algemene informatie over het land van herkomst en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat er zwaarwegende en op feiten berustende redenen zijn om aan te nemen dat eiser in zijn land van herkomst zal worden blootgesteld aan een reëel risico op behandelingen die door artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 van het Handvest worden verboden. Eiser heeft voorts rechtmatig verblijf gehad op grond van de RTB. Dit enkele gegeven betekent niet dat het privéleven dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staat. Verweerder is immers bevoegd om het verblijfsrecht te beëindigen en indien na een periode van rechtmatig verblijf nimmer meer een terugkeerbesluit zou kunnen worden vastgesteld, zou dit dus betekenen dat eenmaal verleend en verkregen rechtmatig verblijf nooit kan meebrengen dat dit wordt beëindigd en ten gevolge daarvan een terugkeerverplichting kan ontstaan. Een verblijfsvergunning kan evenwel ook voor bepaalde tijd gelden, bijvoorbeeld indien voorwaarden aan de verblijfsvergunning zijn gekoppeld of als de redenen voor de verlening zijn komen te vervallen.
19. Eiser heeft voorts als bijzonderheden om te onderbouwen dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan benoemd dat hij visuele klachten heeft. De rechtbank overweegt dat eiser evenwel niet heeft toegelicht waarom dit aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg staat. Eiser heeft niet gesteld dat hij de benodigde behandeling niet in Nigeria zal kunnen verkrijgen en dit tot een 4 Handvest-schending zal leiden. Eiser heeft verder niet verklaard op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan zijn privéleven dat hij heeft gevoerd terwijl hij tijdelijke bescherming genoot. Dat de vaststelling van het terugkeerbesluit een schending van artikel 7 van het Handvest oplevert anders dan dat eiser niet langer rechtmatig verblijf in Nederland heeft, volgt de rechtbank dan ook niet.
20. De beroepsgrond van eiser dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name in het arrest Kücükdeveci (19 januari 2010, C-555/07), nationale autoriteiten en rechters verplicht zijn om, wanneer Unierecht niet duidelijk, coherent of uitvoerbaar is de fundamentele rechtsbeginselen van de Unie toe te passen, laat de rechtbank verder onbesproken omdat er geen sprake is van een situatie waarin het Unierecht niet duidelijk, coherent of uitvoerbaar is. De stelling dat er geen toetsing aan de fundamentele rechten en belangen van eiser heeft plaatsgevonden slaagt niet. Anders dan eiser stelt vindt er bij de vaststelling van een terugkeerbesluit geen belangenafweging plaats zoals die plaatsvindt bij de beoordeling van een aanvraag van een verblijfsvergunning maar worden de grondrechten in acht genomen op de wijze waarin richtlijn 2008/115 hierin voorziet. Eiser heeft niet onderbouwd welke fundamentele rechten en belangen van eiser onvoldoende zijn betrokken bij de vaststelling van het terugkeerbesluit.
21. Beslist wordt derhalve als volgt.