ECLI:NL:RBDHA:2026:20541
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.G. Vegter
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Jordaanse asielzoeker, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij alleen de gemachtigde van verweerder aanwezig was. Eiser en zijn gemachtigde waren afwezig. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en het besluit tot niet in behandeling nemen in stand blijft.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Kroatië en dat er geen nieuwe informatie is die dit zou wijzigen. De door eiser aangevoerde bijzondere kwetsbaarheid en medische problematiek zijn onvoldoende onderbouwd met medische stukken, waardoor het beroep op het Tarakhel-arrest en het arrest C.K. faalt.
Verder is het discretionaire karakter van artikel 17 van Pro de Dublinverordening besproken. Verweerder heeft in redelijkheid gekozen om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid, omdat de persoonlijke omstandigheden van eiser reeds zijn meegewogen in het kader van het vertrouwensbeginsel en geen bijzondere individuele omstandigheden zijn vastgesteld.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.