ECLI:NL:RBDHA:2026:20541

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24340
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Jordaanse asielzoeker, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld, waarbij alleen de gemachtigde van verweerder aanwezig was. Eiser en zijn gemachtigde waren afwezig. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en het besluit tot niet in behandeling nemen in stand blijft.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Kroatië en dat er geen nieuwe informatie is die dit zou wijzigen. De door eiser aangevoerde bijzondere kwetsbaarheid en medische problematiek zijn onvoldoende onderbouwd met medische stukken, waardoor het beroep op het Tarakhel-arrest en het arrest C.K. faalt.

Verder is het discretionaire karakter van artikel 17 van Pro de Dublinverordening besproken. Verweerder heeft in redelijkheid gekozen om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid, omdat de persoonlijke omstandigheden van eiser reeds zijn meegewogen in het kader van het vertrouwensbeginsel en geen bijzondere individuele omstandigheden zijn vastgesteld.

De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.24340 (beroep) en NL26.24341 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2003, van Jordaanse nationaliteit,
eiser/verzoeker (hierna eiser),
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regelgeving staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Bespreking beroepsgronden
Beroep op de arresten Tarakhel [3] en C.K. [4]
5. Eiser heeft aangevoerd dat het op basis van zijn gehoor aannemelijk is dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt.. Op grond van het Tarakhel-arrest dient verweerder, in dat geval om individuele garanties te vragen voordat eiser wordt overgedragen. Daarnaast is het mogelijk dat, omdat bij eiser sprake is van bijzonder ernstige psychische problemen, overdracht aan Kroatië een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben.
5.1.
De rechtbank merkt als eerst op dat niet in geschil is dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is geen landeninformatie bekend waardoor hier anders over geoordeeld moet worden.
5.2.
Uit de omstandigheid dat eiser slecht is behandeld en mishandeld in Kroatië, volgt niet dat hij kwetsbaar is zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Er is verder niet onderbouwd waaruit volgt dat eiser kwetsbaar is, dat hij garanties nodig heeft en welke garanties dit dan zouden moeten zijn. Een beroep op het arrest Tarakhel slaagt dus niet. Ook is niet met medische stukken onderbouwd dat een overdracht aan Kroatië een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou inhouden. Een beroep op het arrest C.K. slaagt dus ook niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft eisers persoonlijke omstandigheden, dat hij in Kroatië slecht is behandeld en mishandeld, onvoldoende meegewogen.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [5] trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheden in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [6] volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje, van de Vc. De persoonlijke ervaringen van eiser in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zoals hiervoor overwogen is de medische problematiek niet onderbouwd. Verweerder had daarom ook hierin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.24340:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.24341:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Het arrest Tarakhel tegen Zwitserland van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 (nr. 29217/12).
4.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127).
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1667).