ECLI:NL:RBDHA:2026:20552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.39902
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 9 juni 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel reeds beoordeeld in een eerdere uitspraak van 17 juni 2026, waarbij de maatregel tot dat moment als rechtmatig werd beschouwd.

Bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel sinds 17 juni 2026 concludeert de rechtbank dat er geen onrechtmatigheden zijn geconstateerd. De minister handelt voortvarend door regelmatig navraag te doen over de afgifte van een laissez-passer en door vertrekgesprekken met eiser te voeren. Eiser heeft geen bezwaren tegen de voortgangsrapportage ingebracht en verwijst naar het eerdere oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 22 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 17 juni 2026.
4. In reactie op de voortgangsrapportage heeft eiser laten weten dat hij geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Hij verzoekt de rechtbank om de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring ambtshalve te toetsen. Eiser refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel.
5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. In het bijzonder kan daarbij niet worden gezegd dat het zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn is komen te ontbreken. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers terugkeer door regelmatig schriftelijk navraag te doen naar de afgifte van een laissez-passer voor eiser en door periodiek vertrekgesprekken met eiser te houden.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.